‘De vrees is gegrond dat een nieuw cultuurimperialisme in de plaats komt van het oude’, schrijft Edi Clijsters, naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van Leuven Vlaams. Hij maakt zich zorgen over ‘het krampachtig opdringen van Engels’.

Misschien is het u in de voorbije dagen ergens ter ore gekomen: op 7 februari was het precies vijftig jaar geleden dat de regering Vanden Boeynants viel over de ‘kwestie Leuven’. Vijftig jaar, dat is een halve eeuw. En sindsdien is er, zoals ze in Leuven zeggen, veel water door de Dijle gevloeid. Universiteiten werden gesplitst, politieke partijen ook. Het land nog niet echt, maar het werd wel -schoorvoetend weliswaar, en met minstens evenveel gebreken als verdiensten- hervormd in de richting van een federale staat.


Vijftig jaar Leuven Vlaams: ‘Ook de kwaliteit van het onderwijs lijdt onder de anglomanie’

Zoals dat vrijwel altijd het geval is met die zogenaamde ‘communautaire’ conflicten, ging het ook toen niet alleen om een taalkwestie, maar evenzeer om verdere democratisering.

Natuurlijk was ‘de kwestie Leuven’ een taalprobleem. De aanwezigheid van duizenden Franstalige professoren en studenten had onmiskenbaar een sterke invloed op de verfransing in deze relatief kleine stad.

In de kern zag het probleem er niet anders uit dan in andere Vlaamse steden destijds: een heel beperkte sociale bovenlaag sprak Frans, en nogal wat pretentieuze Vlamingen die graag tegen die ‘elite’ aanschurkten probeerden dat na te apen. Je kon toen de potsierlijke situatie meemaken waarin twee Vlaamse burgermannetjes (of -vrouwtjes) met elkaar stuntelig Frans spraken, met plots een dialectwoord ertussen omdat ze het passende Franse woord niet kenden.

Potsierlijk, ja, en tot verdwijnen gedoemd. Maar in Leuven stond meer op het spel: daar dreigde de verfransing veel intenser te worden, want nu de democratisering van het hoger onderwijs goed op gang kwam, zou die een exponentiële toestroom van Franstalige proffen en studenten met zich brengen. Weldra, opperden prominente Franstaligen, zou Leuven zo gaan deel uitmaken van le très grand Bruxelles de l’avenir. Anderen, vooral jongere Franstaligen vroegen zich daarentegen af of die Franstalige universiteit niet nuttiger zou zijn in Wallonië.

De kwestie Leuven had in elk geval minstens evenzeer te maken met democratische bekommernissen. Niet alleen moest de toegang tot universiteiten worden gedemocratiseerd door allerlei materiële belemmeringen weg te werken; ook het ouderwetse functioneren van de universiteit werd in vraag gesteld. Professoren en studenten eisten niet alleen een volwaardige en autonome Vlaamse universiteit, maar ook dat voortaan de rector ‘een Vlaming en een leek’ moest zijn, en verkozen door de academische gemeenschap, in plaats van een monseigneur die werd aangesteld door de Belgische bisschoppen.

Het ene cultuurimperialisme vervangt het andere

Dat is allemaal vijftig jaar geleden. De verjaardag biedt echter weinig reden tot bazuingeschal, maar veeleer tot diepe bezorgdheid.

Want (met excuus voor een taalgebruik dat perfect aansluit bij die jaren ’60 maar helaas weer bijzonder actueel wordt): de vrees is gegrond dat een nieuw cultuurimperialisme in de plaats komt van het oude. Nog in het begin 20ste eeuw kon de Belgische aartsbisschop verkondigen dat Nederlands niet geschikt was voor hogere studies en dat de Vlaamse universiteiten zich zouden afsnijden van de intellectuele wereld indien ze niet meer in het Frans zouden studeren en publiceren; in het begin van deze 21ste eeuw zijn Vlaamse rectoren blijkbaar van mening dat Nederlands achterhaald is, en dat de universiteiten snel moeten overschakelen op Engels indien ze internationaal nog willen meespelen.


Het krampachtige opdringen van Engels dreigt nieuwe materiële drempels in te voeren omdat ofwel dure privé-taalcursussen nodig worden ofwel de studieduur nog verder wordt verlengd.

‘Hoe Vlaams is Leuven nog?’ vraagt één toonaangevende krant. En in een andere laat de bekende Gentse hoogleraar Hendrik Vos – die als onvermoeibaar pleitbezorger voor een verenigd Europa toch echt niet kan worden verdacht van kerktorenmentaliteit – een krachtige waarschuwing horen: het steeds vaker opleggen van Engels is in wezen ook een aanslag op de democratisering van het onderwijs.

Kennelijk is het nodig om dat nog eens – ook voor hooggeleerde heren – duidelijk te herhalen: democratisering betekent het bevorderen van de toegang tot hoger onderwijs door het wegwerken of tenminste verlagen van materiële drempels. Het betekent echter niét het verlagen van kwaliteitsdrempels.

Illusies

Maar het krampachtige opdringen van Engels – steeds vroeger en in steeds meer richtingen – dreigt nieuwe materiële drempels in te voeren omdat ofwel dure privé-taalcursussen nodig worden ofwel de studieduur nog verder wordt verlengd wanneer de universiteiten die zelf aanbieden.


Laten universiteiten hoge inhoudelijke eisen stellen maar de taal gebruiken waar de studenten het best mee vertrouwd zijn, in plaats van te koketteren met een vreemde taal maar tegelijk het inhoudelijke niveau te verlagen.

Bovendien mag men zich vooral geen illusies maken: ook de kwaliteit van het onderwijs lijdt onder de anglomanie. Soms maken mensen die wél goed Engels kennen zich vrolijk over het stuntelige Engels van profs en studenten; vaker ergeren ze zich blauw. In elk geval kan een woordenschat van pakweg 400 belabberd uitgesproken woorden onmogelijk de kwaliteit van het onderwijs ten goede komen.

Universiteiten hebben eigenlijk een dubbele opdracht: onderwijs én onderzoek. Kennis doorgeven en nieuwe kennis verwerven. Alleen zou het – juist in het belang van beide opdrachten – beter zijn die duidelijker te scheiden en afzonderlijk te bevorderen. Laten universiteiten en hogescholen vooral zorgen voor excellent onderwijs: door hoge inhoudelijke eisen te stellen maar de taal te gebruiken waar de studenten het best mee vertrouwd zijn. In plaats van te koketteren met een vreemde taal maar tegelijk – vanuit een volstrekt verkeerd gerichte angst om ‘mensen achter te laten’ – het inhoudelijke niveau onvermijdelijk te verlagen.

Dat puike onderwijs blijkt trouwens nog steeds de beste voedingsbodem voor puik wetenschappelijk onderzoek nadien. Dat dàn voor het uitwisselen van wetenschappelijke ervaringen en in publicaties vaker een algemeen gebruikelijke academische omgangstaal wordt gebruikt (en voorlopig is dat het Engels), hoeft geen probleem te vormen. Er is overigens – voorlopig – geen enkele wet die verbiedt dat iemand zowel in het Nederlands als in het Engels publiceert.

‘Leuven Engels!’

En wie iets of wat de academische geschiedenis kent, weet toch dat wetenschappers of zelfs studenten die per se met een of ander toptalent of in een of andere wetenschappelijke ‘niche’ willen werken er niet tegen opzien om – rudimentair maar voldoende – de taal te leren die daarvoor nodig is.

Als rectoren (of andere deskundigen) menen dat de internationale uitstraling van een instelling staat of valt met meer of minder Engels beledigen zij daarmee dus eigenlijk hun eigen professoren en onderzoekers.

Je kan natuurlijk dit hele touwtrekken ook zien als een uitvloeisel van de blijkbaar nauwelijks te stuiten opmars van de nieuwe ultraliberale wereldreligie die alleen oog heeft voor rendement en competitie. Of dat goed is voor de kwaliteit van onderwijs, onderzoek én democratie is nog maar de vraag. A propos democratie: heeft al iemand een massabetoging gezien van studenten met bordjes ‘Leuven Engels’ of ‘de rector een businessman’ – pardon: business-person…?

Edi Clijsters is kernlid van Vlinks