Ludo Abicht van Vlinks over manier waarop in de VS de vrijheid van meningsuiting verdedigd wordt.

Een paar jaar geleden zei Noam Chomsky me tijdens een interview op Radio 1: ‘Er is één terrein, waarop wij Amerikanen beschaafder zijn dan de Europeanen.’

‘En wat zou dat zijn?’

‘Wij verdedigen de absolute vrijheid van meningsuiting, jullie niet.’

Deze Joods-Amerikaanse denker had al vaker herrie geschopt, onder meer door het recht op vrije meningsuiting van de negationist Robert Faurisson te verdedigen. Of door het eens te zijn met controversiële beslissingen van de ACLU (American Civil Liberties Union) om in 1978 de rechten van de Amerikaanse nazipartij te verdedigen, die een mars plande door Skokie, een deelgemeente van Chicago waar veel overlevenden van de Holocaust en hun nakomelingen leefden. Dankzij de sublieme onverschilligheid van de inwoners marcheerde het handvol neonazi’s in uniform en met hakenkruisvlaggen een tijdlang door de lege straten zonder ook maar één reactie te kunnen uitlokken en dank zij de actie van de ACLU werd de bijna absolute vrijheid van meningsuiting ook dan en daar niet bedreigd.


‘Durf (hardop) te denken: het is perfect mogelijk de ‘argumenten’ van negationisten te weerleggen’

Dat die verdediging vandaag nog steeds actueel is bewijst het besluit van dezelfde ACLU, het recht van de extreemrechtse Jason Kessler te steunen om in Charlottesville, Virginia, een protestbetoging te organiseren tegen het weghalen van een standbeeld van de racistische zuidelijke generaal Robert E. Lee. In een opmerkelijk opiniestuk in The New York Review of Books legt David Cole, de voorzitter van de ACLU, uit waarom dit een legitieme, correcte én diep democratische beslissing was. Volgens Cole moet die absolute vrijheid de onaangetaste regel blijven indien we onze democratie niet zelf willen ondergraven, want van zodra we dit principe loslaten zitten we met de vraag welke autoriteit (de staat, de kerken, de gekwetste minderheidsgroepen, de politiek correcte moraalridders?) zou kunnen beslissen welke thema’s of uitspraken onaanvaardbaar zijn en dus gecensureerd moeten worden.

Chomsky en de ACLU gaan hier mijlen verder dan de verdediging van de gedachtevrijheid (“Die Gedanken sind frei.”), waarover we het allen wel zullen eens zijn. Nee, zeggen ze, je moet ook oneerbiedige, kwetsende tot zelfs uitgesproken racistische meningen ongestraft kunnen “uiten”. Cole breidt dit zelfs uit tot het oproepen tot geweld. (Wanneer bijvoorbeeld een zelfverklaard moreel gezag als Bernard Henri Lévy regelmatig oproept tot, toegegeven, erg selectieve “humanitaire interventies”, dan is dit ook een oproep tot geweld). Hij trekt de grens alleen in die gevallen, waarin een direct verband kan worden aangetoond tussen een dergelijke mening en een geviseerd slachtoffer. Maar dat zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen.

Ik denk dat David Cole gelijk heeft: het is bijvoorbeeld perfect mogelijk de “argumenten” van de Holocaustontkenners te ontmaskeren en te weerleggen. Wie daarop reageert dat “de gewone mensen” niet in staat zijn dergelijke ingewikkelde redeneringen te volgen is gewoon geen democraat, maar in het beste geval een elitaire betuttelaar. Hetzelfde geldt voor de ziekelijke hersenspinsels van racisten, antisemieten, islamhaters, fundamentalisten, religieuze fanatiekelingen, supremacisten en ga zo maar door: niets belet ons in een democratie tegen dit soort sofismen, leugens en verdraaiingen efficiënt en krachtdadig in te gaan, om te beginnen in het onderwijs en de media.

Meer nog: we hebben niet alleen het recht dit te doen, maar indien we onze democratie ernstig nemen is het tevens onze verdomde plicht. Wanneer we daarvoor een beroep moeten doen op het gerecht geven we impliciet toe dat onze opinies niet sterk genoeg zijn en we als volwassenen nog steeds gezagsargumenten nodig hebben om het publieke debat te winnen. Op deze manier hebben we de discussie in feite al verloren nog voor we eraan begonnen zijn.

Ludo Abicht is kernlid van Vlinks