De honderdste verjaardag van de open brief aan koning Albert I, het zogenaamde ‘IJzertestament’, door Vlaamse soldaten aan het IJzerfront ging afgelopen 11 juli geruisloos voorbij. ‘Onterecht’, vindt Edi Clijsters van Vlinks.

Het feestgedruis en verbale tromgeroffel rond 11 juli zijn alweer even achter de rug en ook het ‘andere kamp’ heeft zijn nationale feestdag mogen vieren. Wat in al het feestgewoel – en ook wel wederzijdse plaag- en ergere stoten – echter verloren is gegaan, is de herinnering aan een ophefmakende ‘Open Brief’ aan koning Albert I, die honderd jaar geleden door Vlaamse soldaten aan het IJzerfront opgesteld werd.

In die brief beklaagden zij zich over de grove discriminatie en beledigingen waarvan zij als Vlaamse soldaten nu al drie jaar lang het slachtoffer waren, terwijl zovelen onder hen juist als vrijwilliger waren aangetreden om het Belgische vaderland te verdedigen. Zij betuigden hun trouw aan de vorst, herinnerden hem aan zijn dramatische oproep bij het begin van de oorlog (‘Vlamingen, gedenkt de Slag der Gulden Sporen’) en bezwoeren hem een einde te maken aan de wantoestanden, omdat zij ‘alleen in hem nog geloofden’.

De brief werd quasi-illegaal op enkele duizenden exemplaren gedrukt en verspreid, maar in de loopgraven en achter het front koortsachtig doorgegeven en voorgelezen (want veel soldaten waren nog zo goed als analfabeet). Bij legerleiding en regering veroorzaakte de brief zo mogelijk nog meer opschudding dan aan het front, en daar waren goede redenen voor.

Historici met soms erg uiteenlopende opvattingen over het koninkrijk België zien in die beweging van Vlaamse frontsoldaten (én in de manier waarop ze door opperbevelhebber Albert I en de hoge legerleiding werd bestreden) het begin van ‘de barst in België’. Daar valt wellicht iets voor te zeggen, maar een korte blik voorbij de Belgische grenzen maakt duidelijk dat voor de legerleiding meer op het spel stond.

1917 was immers het jaar waarin de oorlogsmoeheid in Europa zo sterk was geworden dat aan ettelijke fronten dramatische muiterijen losbraken van ‘kanonnenvlees’ dat niet langer wou meedraaien in de mallemolen waarin honderdduizenden werden geslachtofferd voor een paar kilometer wankele terreinwinst.

Van ontgoocheling naar verbittering
De meedogenloze repressie van die muiterijen in de geallieerde legers had zeker ook te maken met het standenverschil tussen hoge officieren en simpele piotten. Aan het IJzerfront kwam daar nog eens de ‘taalkwestie’ bij. Kort voor de oorlog was wel een schamele wet goedgekeurd op het taalgebruik in het leger, maar in de praktijk was daar nog niets van in huis gekomen; en hoe dan ook kon zo’n wet natuurlijk niets veranderen aan het afgrondelijke misprijzen dat de meeste Franstalige officieren koesterden voor hun ondergeschikten. Kritiek op de gang van zaken werd – net als in andere legers trouwens – meteen afgedaan als ‘ondermijning van de slagkracht van het leger’ en drastisch bestraft.

Tot zware muiterijen zoals in Frankrijk kwam het aan de IJzer nochtans niet, onder meer omdat juist de kaders van de Frontbeweging waarschuwden voor ondoordachte acties. Hun loyauteit werd slecht beloond. Opeenvolgende open brieven werden officieel straal genegeerd evenals de al bij al erg gematigde verzuchtingen. Op lezen en verspreiden van de brieven stonden strenge straffen. Het handvol initiatiefnemers werkte in het grootste geheim, maar ettelijke sympathisanten werden naar strafkampen in Frankrijk gestuurd of ‘uitverkoren’ voor opdrachten, die hen een haast zekere dood injoegen.

Het uitblijven van een passend antwoord op de brief van 11 juli 1917 veroorzaakte diepe ontgoocheling. In een tweede brief (in augustus) en latere pamfletten veranderde die ontgoocheling in diepe, zeer diepe verbittering. Dat bij het onderdrukken van elke vorm van ‘insubordinatie’ twee maten en twee gewichten werden gehanteerd zat de Vlaamse soldaten hoog. En hoe feller en wraakzuchtiger de repressie, hoe contraproductiever ze werd.

Dat blijkt ook uit de wijziging in ‘toonaard’ van de opeenvolgende teksten. ‘Hier ons bloed, wanneer ons recht’ : dat liegt er niet om. De verzuchtingen worden eisen, en er wordt in weinig verhullende bewoordingen (die elke piot terdege kon begrijpen…) op gewezen dat de Frontbeweging tienduizenden gewapende mannen in beweging kan brengen.

De eisen worden ook concreet: Vlaanderen moest (binnen België, let wel) zelfbestuur krijgen; in plaats van taalwetten die niet worden toegepast, moesten er Vlaamse en Waalse regimenten komen; en de universiteit van Gent moest Nederlandstalig blijven. Dat laatste was bijzonder merkwaardig, want waarschijnlijk was België het enige land waar frontsoldaten die elke dag hun leven op het spel zetten in de oorlog tegen Duitsland tegelijkertijd eisten dat een maatregel die door de Duitse bezetter was doorgedrukt niét ongedaan zou worden gemaakt na de geallieerde overwinning.

Brieven tegen onrecht anno 2017
Na de oorlog zouden de eisen van de Frontbeweging politieke springstof worden als ‘IJzertestament’. In werkelijkheid heeft zo’n tekst nooit bestaan, maar de verontwaardigde, verbitterde hartenkreet ‘hier ons bloed, wanneer ons recht’ bleef wel lang en intens nazinderen, en werd de grondslag om latere Belgische toegevingen steevast als ‘te laat en te weinig’ af te doen. De basisprincipes die jarenlang als leidraad hadden gediend voor de Frontbeweging werden geformuleerd als de drie pijlers van zo’n virtueel IJzertestament: nooit meer oorlog, zelfbestuur en godsvrede. Driekwart eeuw later werd dit eigentijdser geformuleerd als ‘vrede, vrijheid, verdraagzaamheid’, tot groot ongenoegen van extreemrechts, dat is bekend.

Veel minder bekend, helaas, is dat voor een betekenisvol deel van de Frontbeweging ook een vierde component tot dat testament behoorde, namelijk ‘rechtvaardigheid in een waarachtig democratisch sociaal en economisch beleid’, zo geformuleerd op de vijftigste Ijzerbedevaart in 1977 door de toen 87-jarige Hendrik Borginon, zestig jaar voordien een van de leiders van de Frontbeweging. Die eis sloot nauw aan bij het beroemde pamflet uit oktober 1917 ‘Vlaanderens dageraad aan de IJzer’ waarin eveneens de sociaaleconomische aspecten van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd aan bod kwamen.

Een en ander wordt overigens nader toegelicht in een bijzonder lezenswaardig essay waarmee Guy Leemans (tot voor kort verbonden aan het Verbond van Vlaamse Oudstrijders – Vlaamse Vredesbeweging) een al even lezenswaardig boek afsluit, waarin – voor het eerst sinds 1917! – de Frontbrieven en -pamfletten in een wetenschappelijke editie worden gepubliceerd.

Het is eens wat anders: geen gelegenheidsradicalisme, geen zelfbewieroking, geen inhoudsloos feestgedruis, maar gedegen historisch werk, dat juist daardoor des te overtuigender is.

De honderdste verjaardag van deze Open Brief is dus geruisloos voorbijgegaan. Brieven tegen onrecht liggen anno 2017 hoe dan ook niet bepaald in de bovenste schuif. Dat bleek onder meer ook bij de briefschrijfactie die Amnesty International in het weekeind voor 11 juli organiseerde in… de IJzertoren, jawel. Slechts één Vlaams politicus (SP.A-voorzitter John Crombez) vond het de moeite waard om mee aan te schuiven aan de schrijftafel.

LEEMANS, Guy, PRAET, Raf, VANDEWEYER, Luc, VERDOODT, Frans-Jos, ‘Alleen in u, o Koning, geloven wij nog’. Open brieven van de Vlaamse Frontbeweging tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, ADVN, 2017.