Vlaamse en/of internationale kunst?

Sedert de kunsten significant werden gesubsidieerd, zijn de kunstenaars Belgischgezind geworden. Daarvoor was er in Vlaanderen een bijna integrale osmosetoestand tussen kunstenaars en Vlaamse beweging. Is deze stelling een boutade? In ieder geval behandelen de kunsthistorici al decennia lang de ‘Vlaamse’ kunst op een bijzondere manier: zeker zij die ‘gecontamineerd’ waren door het activisme tijdens WO I kregen een bijzondere behandeling. Ofwel wordt deze periode verzwegen ofwel wringt men zich in alle bochten om er toch niet ten gronde op te moeten ingaan… Het is immers toch onmogelijk dat een als reactionaire, achterlijke en bekrompen gepercipieerde (Vlaamse) beweging kunstenaars van eerste plan en zelfs van wereldklasse zou kunnen voortbrengen? Men neemt klakkeloos het discours van mekaar over en veel jonge wetenschappers en studenten gaan hierin mee. In onze musea telt alleen het blijkbaar magische woord ‘internationaal’ en wordt zelfs een algemeen aanvaarde term als ‘Vlaams’ expressionisme moeilijk. Hier en daar zijn er wel verhelderende werken verschenen bvb. de doctoraatsthesis van Matthijs De Ridder Staatsgevaarlik! De activistische tegentraditie in de Vlaamse letteren 1912-1933 (2009) en de prachtige biografie van de Waalse activist en literator Victor Brunclair van Dieter Vandenbroucke (2014). Maar deze wetenschap wordt evenwel niet geïmplementeerd in het algemene wetenschappelijke discours. Zo houdt bijvoorbeeld Bloed en Rozen, geschiedenis van de Nederlandse literatuur (1900-1945) van de Leidse prof Jacqueline Bel (2015) het negationisme ter zake staande. Ik sprak er de professor op aan met een resem voorbeelden en die gaf mij over de hele lijn gelijk en beloofde een aanpassing bij een volgende druk…

Op 22 september opent (tot 7 januari 2018) in het MUDEL (Museum van Deinze en de Leiestreek) een overzichtstentoonstelling van beeldhouwer en xylograaf Jozef Cantré. Deze socialistische Gentenaar (°1890 – + 1957), zoon van een huisschilder, leerde dierenfiguren uitsnijden voor een atelier van paardenmolens. Aan zijn academie-opleiding had hij volgens eigen zeggen minder gehad. Cantré was aanvankelijk sterk beïnvloed door het sociale realisme van Constantin Meunier maar ook door het symbolisme van George Minne. Met zijn medeleerling Frans Masereel en zijn oudere broer Jan Frans zou hij de middeleeuwse houtgraveerkunst herontdekken en naar ongekende hoogtes voeren. De vereenvoudiging in het graveren liep wonderwel samen met het zoeken naar het essentiële dat de anti-burgerlijke strekking in Duitsland via kunst en filosofie (expressionisme, Aktivismus) propageerde. Reeds voor maar ook tijdens de oorlog vonden deze avant-gardisten weerklank in Vlaanderen o.m. via tijdschriften (Der Sturm, Die Aktion, Die weissen Blätter etc.). De Duitse overheid was zich hiervan perfect terdege bewust en voerde een bewuste manipulatieve culturele politiek ter zake o.m. passende in de latere Flamenpolitik. Jonge hemelbestormers als Cantré, Van Ostaijen en C° zagen in het Vlaamse activisme tijdens WO I een radicale breuk met het burgerlijke staatsbestel en alle gevestigde machten: koning, Kerk en kapitaal. Cantré schreef zich op 1 december 1916 in aan de vernederlandste von Bissing universiteit en volgde samen met zijn vriend uit de Socialistische Jonge Wacht (hierna SJW), de dichter Richard Minne, kunstgeschiedenis en archeologie bij André Jolles (een niet-conventioneel Nederlands kunsthistoricus, oud-medewerker van Van nu en Straks en verbonden aan de universiteit van Berlijn) en Psychologie bij Paul Menserath (instituut Solvay en universiteit Bonn). In maart 1918 werd Cantré, die ook de officiële gedenkpenning van de universiteit etc. had ontworpen, aangeworven als tekenleraar en assistent van Jolles. In de kring van tal van artistieke vernieuwers aan de universiteit (onder meer Achilles Musssche, Raymond Herreman, Maurice Roelants, Richard Minne en Cantré zelf) ontstond het legendarisch avant garde kunsttijdschrift Regenboog, ‘voor een nieuwe kunst’. Cantré en de Gentse SJW radicaliseerde onder druk van de (socialistisch activistische) politiek van de nog jongere flamingant en latere communist Jef van Extergem en de Antwerpse SJW, die al in november 1916 het activistische programma had onder schreven en zo de facto buiten de BWP stond. De Gentse SJW volgde wel Van Extergems pacifisme maar niet zijn activistisch engagement. Anseele die evenwel een Antwerps scenario vreesde, bande de Gentse SJW uit de partijlokalen waarop Cantré de Rode jeugd stichtte. Hij was ook zeer actief in de ‘Vredesgroep’ die een onderhandelde ‘vrede door vergelijk’ nastreefde tegen de officiële lijn van de ‘jusqu’au boutisten’ van de BWP. De familie Cantré vluchtte op 27 oktober 1918 naar Nederland en kwam uiteindelijk terecht in de villa Henriette via Henriette Roland Holst, een Nederlandse vredes- en antiburgerlijke activiste (onder meer vertaalster van De Internationale), in Blaricum. In de tuin stond een gebouw waar hij zijn atelier vestigde, dat hij de naam ‘De Blauwvoet’ gaf. Op het ‘proces van de hoogeschool’ dd. 21 mei 1920 werd Cantré bij verstek tot 5 jaar veroordeeld ‘wegens zijn benoeming als docent tekenkunde, het vervaardigen van de herdenkingspenning van de Hogeschool, de deelname aan het banket op 3 november 1917 n.a.v. 100 jaar UGent, de versiering van het studentenhuis in juni 1918 bij de ontvangst van Gouverneur-generaal Ludwig von Falkenhausen en zijn rol in Roode Jeugd, ‘een soort pacifistisch en wederlandsch (sic) tijdschrift’’. Hij werd eveneens definitief uit de BWP gegooid. In het Gooi (een streek in de buurt van Hilversum maar deel van de Provincie Noord-Holland) vond hij zijn stadsgenoten Frits van den Berghe (die was afgezet als leraar en in januari 1919 introk bij Cantré), Gust. De Smet en René De Clercq (de bevlogen Vlaams gezinde schrijver en enige tijd ondervoorzitter van de Raad van Vlaanderen) terug. Frits en Gust. waren al sedert 1915 in deze streek beginnen experimenteren met moderne kunst en dichter De Clercq was toen al hun propagandist en probeerde hun werken te slijten. De Clercq was in juni 1917 naar Brussel teruggekeerd om zich te engageren in de activistische politiek en had Frits een post bezorgd van ‘bureelhoofd’ op het activistische ministerie van Kunsten en wetenschap. Met Cantré gingen de schilders nu verder experimenteren met lino- en houtsneden. Primitieve, zogenaamde negerkunst werd een nieuwe inspiratiebron… René de Clercq begon op 19 november 1919 in zijn woning met een kunsthandel ‘Den Blauwvoet’ om het moderne werk aan de man te brengen. Frederik van Eeden, die ietwat verder zijn anarchistische kolonie Walden had, sprak op de opening. De Clercq deed meer dan zijn best maar kon in feite alleen aan zijn vrienden verkopen. Gedurende zijn 12 jarig verblijf in Nederland maakte Cantré zijn beste werk en bouwde er een internationaal artistiek netwerk uit met bekende kunstenaars en schrijvers als Karel Van de Woestijne, Stijn Streuvels, Herman Teirlinck, Georges Duhamel, Victor Van Vriesland, Hendrik Marsman en Georg Kaiser. Begin de twintiger jaren nam de Brusselse galerij Sélection van ‘kunstpaus’ P.-G. Van Hecke (die ook heel even een activistisch verleden had!) de verkoop van de in Nederland verblijvende expressionisten van De Clercq over. Cantré zou, samen met zijn broer Jan Frans, Frans Masereel, Joris Minne en Henri Van Straten bekend worden als ‘de vijf’, vijf beroemde Vlaamse houtsnijders, die ook internationaal opgemerkt werden.’ Cantré drukte met schalkse houtsneden en verfijnde beelden een eigen stempel op de kunst van het Interbellum.

In 1929 liet de overheid, na tien jaar politiek getouwtrek en de shockerende Bormsverkiezing (9 december 1928) de straffen voor activisme ‘uitdoven’. Cantré keerde definitief terug naar België en kreeg al begin 1930 volledig eerherstel. In de jaren ’30 kapte hij enkele merkwaardige monumenten o.m. van Peter Benoit (dat onafgewerkt zou blijven), het grafmonument René de Clercq en het monumentale standbeeld van Edward Anseele (Cantré was intussen ook door de BWP gerehabiliteerd). Later kreeg hij tal van overheidsopdrachten. In de komende tentoonstelling wordt vooral ingegaan op het interbellum. En net zoals in het in de jaren 1920 ontdekt werd, zal Cantré’s innemend werk op de tentoonstelling omringd worden door dat van zijn tijdgenoten, waaronder veel persoonlijke vrienden: Erich Heckel, George Minne, Frits Van den Berghe, Gustave en Leon De Smet, Frans Masereel, Constant Permeke, Oscar Jespers, Charley Toorop, Hendrik Wiegersma en in het bijzonder de Parijse beeldhouwer Ossip Zadkine. Tegelijk verschijnt ook het eerste fraai geïllustreerde overzichtswerk over de kunstenaar. Curator Peter J. H. Pauwels zal geen blinde vlekken in de tentoonstelling laten. Hij laat het Vlaams expressionisme niet beginnen bij Sélection maar zal de nodige aandacht besteden aan de cruciale periode van Wereldoorlog I en kort erna waar het prille Vlaams nationalisme, anti-burgerlijkheid, anarchisme en een ontluikend communisme zowat door elkaar opereerden. Het betere werk van het ‘Vlaams’ expressionisme kan, voor wie zich de moeite doet om het te bestuderen, zonder probleem de vergelijking met het werk van tijdgenoten in de omliggende landen doorstaan. Het is qua thematiek als niveau ‘internationaal’. Tussen beide elementen is er hoegenaamd geen tegenstelling. Wanneer komt de algemene dedouanering van dit tijdperk? Kan (of wil) men na 100 jaar, zowel in de kunstgeschiedenis als in de brede geschiedenis, de realiteit nog niet zien, vanzelfsprekend met de nodige duiding.

 

Joost Vandommele is kernlid van Vlinks