08/05/21 om 17:13 ‘Zal deze bonte Vivaldi-coalitie robuust genoeg blijken voor het volgende loonoverleg in 2023, met nieuwe verkiezingen in het verschiet’, schrijft Jan Wostyn. Hij blikt terug op het loonoverleg van de afgelopen weken.

Het klassieke overlegmodel om tot loonakkoorden te komen, is al een tijdje kaduuk. De werkgevers willen geen al te hoge loonkoststijgingen, wat de bedrijven een competitief nadeel zou bezorgen, terwijl de werknemers uiteraard net wel hogere lonen willen. Daartussen moet dan een compromis worden gevonden, wat meestal mislukt, waarop dan de regering moet tussenkomen om toch tot een akkoord te komen, gesmeerd met overheidsgeld.

De verschillende regeringspartners van hun kant willen ideologische punten scoren en voor hun achterban binnenhalen wat binnen te halen valt. Op links voelen de sociaaldemocraten de hete adem van PVDA/PTB in de nek, terwijl de liberalen niet te lichtblauw willen ogen.

Het frappante aan de hele discussie is dat momenteel zowel liberale economen als Paul De Grauwe, Vlaams-nationalisten als Bart de Wever (N-VA), alsook marxisten zoals Peter Mertens (PVDA-PTB), ervoor pleiten om het loonoverleg vrij te laten, althans op sectorniveau. Het toont nogmaals aan dat de ideologieën uit de 19de eeuw ontoereikend zijn om tot concrete oplossingen te komen die de welvaart in Vlaanderen en België kunnen verhogen.

En passant werd ook nog even de index in vraag gesteld, niet verrassend door de liberaal Egbert Lachaert, voor wie automatische koopkrachtbescherming van werknemers blijkbaar geen prioriteit is. Laat ons even inzoomen op bescherming van koopkracht en de modaliteiten waarin dat gestalte kan krijgen.

De index: een baken van stabiliteit, maar ook voor verbetering vatbaar

De automatische indexaanpassing geeft aan werknemers de garantie dat ze hun levensstandaard op peil kunnen houden.

De index is 100% lineair, waardoor erg hoge lonen eigenlijk een veel hogere loonstijging krijgen in absolute termen dan lage lonen. Daarom zou men kunnen overwegen de laagste lonen van een hoger minimaal bedrag te voorzien en voor de hoogste lonen de index af te toppen op een maximaal bedrag.

Bij een indexstijging van bijvoorbeeld 2%, zou men voor alle lonen onder de 3000 euro bruto, het minimum van 60 euro (2%) extra kunnen toekennen, en alle lonen boven de 5000 euro bruto, niet meer dan 100 euro (2%) extra kunnen geven. Op deze manier krijgen de laagste lonen bij elke indexstijging een extra ondersteuning en zet je een kleine rem op een al te grote loonspanning door de stijging van de hoogste lonen licht af te toppen.

Bij elke index-aanpassing zal het minimumloon zo automatisch een klein beetje extra stijgen. Zo vermijdt men ook al te bruuske verhogingen van het minimumloon, die mogelijk tot banenverlies leiden.

De loonmarge: van centraal naar sectoraal en regionaal

Het is duidelijk dat het huidige model van één centrale loonnorm voor de hele economie te wensen overlaat, zeker bij een zogenaamde asymmetrische schok zoals de coronacrisis. Sommige sectoren lagen noodgedwongen volledig stil, terwijl andere sectoren een ongeziene groei kenden.

Onderhandelingen op sectorniveau zijn daarom veel zinvoller, zoals nagenoeg overal in Europa het gebruik is. Uiteindelijk zijn de lonen toch vooral een functie van de productiviteit. Hoe meer waarde een werknemer per maand weet te genereren, des te meer aanspraak hij of zij kan maken op een hoger maandloon, zonder dat dit de concurrentiepositie van de werkgever schaadt. Dat de evolutie van de productiviteit danig kan verschillen tussen sectoren is een evidentie.

De evolutie in productiviteit kan echter ook verschillen van regio tot regio. Indien de productiviteitstijging in bepaalde sectoren tussen Vlaanderen en Wallonië niet gelijkloopt, is het vrij onzinnig om op nationaal niveau de loonmarge te gaan bespreken, zoals ook Rik Van Cauwelaert opmerkte in de Zevende Dag op VRT. Dat zorgt er immers voor dat de werknemers in de ene regio te weinig opslag krijgen, en werknemers in de andere regio te veel. In de regio waar de loonsopslag systematisch te hoog is, zal dit leiden tot jobverlies, met structurele werkloosheid tot gevolg. Ook nieuwe investeerders zullen niet meteen staan te springen om te investeren in een regio die voor dezelfde lonen een lagere productiviteit biedt.

Het werknemersdividend: enkel het bedrijfsniveau is hier zinvol

Tot slot kwam in de discussie de voorbije weken ook geregeld de suggestie om op sectorniveau de werknemers met een éénmalige bonus te belonen. Velen werkten zich inderdaad uit de naad in erg uitzonderlijke omstandigheden, vaak met extra gezondheidsrisico’s, en ook met extra stress omwille van mogelijke ziektegevallen in het gezin of kinderen die plots thuis afstandsonderwijs moesten volgen.

Ook voor bedrijven was deze crisis echter ongezien en niet alle bedrijven reageerden even succesvol op de uitdagingen die corona met zich meebracht. Daarom is het weinig zinvol om een werknemersdividend te verplichten op sectorniveau. Enkel bedrijven die het goed deden, zullen hier de ruimte voor hebben en ook bereid zijn dit soort bonussen uit te keren. Maar bedrijven die er om welke redenen dan ook niet in slaagden om zich snel aan te passen, staan nu op de rand van het faillissement. Ze werden enkel in leven gehouden dankzij genereuze overheidssteun. Die bedrijven nu verplicht extra bonussen laten betalen, zou dan ook contraproductief zijn, en misschien wel de eerdere overheidssteun tenietdoen.

Elk bedrijf moet finaal zelf kunnen kiezen of en op welke manier men de belangen van het bedrijf met de belangen van de werknemers probeert te aligneren. Bedrijven die daar in uitblinken zullen waarschijnlijk vanzelf beloond worden dankzij hun gemotiveerde medewerkers, een lager personeelsverloop, minder ziekte-uitval, een lagere stakingsbereidheid, etc… De socialistische gedachte dat werknemers in bedrijven nog altijd lijnrecht tegenover de “patroons” staan, hoort thuis in de 19de eeuw.

Werkgevers, werknemers én de overheid moeten elkaar vinden rond productiviteit

Wanneer de bovenstaande drie principes worden gerespecteerd, is de kans groot dat werkgevers en werknemers terug op een veel constructievere manier rond de tafel gaan zitten. Uiteraard zullen er nog steeds discussies zijn over hoeveel de lonen mogen stijgen, maar per sector (en waar nodig per regio), kan men ook veel beter tot een objectieve meting van de productiviteit komen, als rationele basis voor loonstijgingen.

Ook de overheid kan dit soort overleg dan ten volle ondersteunen en verstandige maatregelen meefinancieren, want dan investeert ze in een algemene stijging van de productiviteit van de hele economie, wat op termijn ook de belastinginkomsten doet stijgen.

Daarnaast kan de overheid ook nog een extra bijdrage leveren om de nettolonen te verhogen door de belasting op arbeid, vooral voor de laagste lonen te verminderen. Daarvoor is het wel essentieel dat er eindelijk eens kritisch door alle overheidsuitgaven wordt gegaan. Sommige politieke partijen lijken vandaag de overheid te beschouwen als een onuitputtelijke bron van financiële middelen. Onze zuinige Noorderburen kunnen hierbij een uitstekende benchmark vormen, want de manier waarop in ons land met overheidsgeld wordt gemorst doet pijn aan de ogen, en op termijn de portemonnee van elke burger.

Hoe robuust is deze coalitie?

Zowel de PS als Vooruit lieten zich de afgelopen weken van hun meest populistische kant zien. De uitspraak van PS-voorzitter Magnette dat het met de socialisten in de regering “game over voor de werkgevers” was, kwam wel erg destructief over. Conner Rousseau (Vooruit) suggereerde dan weer dat de uitkering van de dividenden wel eens zou geblokkeerd worden als Deborah niet meer dan 0,4% loonsopslag zou krijgen, een volkomen onzinnige maatregel die haar doel voorbijschiet.

De parallel met de toon van de N-VA na de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 is hierbij onmiskenbaar. Naar aanleiding van het Marrakesh-pact besloot de N-VA toen plots tot een zwenking naar ranzig en populistisch rechts op vlak van migratie, onder de immense druk van het Vlaams Belang. Dat leidde finaal tot de val van de Zweedse regering en een weinig succesvolle stembusgang in 2019.

De PS en Vooruit zijn bij deze alvast gewaarschuwd. Hoe goed ze ook hun best doen, de kopie van het origineel (in casu PVDA/PTB) zal toch altijd een tikkeltje minder overtuigend zijn. Zet daartegenover twee liberale partijen met één voorzitter die liefst altijd zelf wil scoren (Bouchez) en een andere voorzitter die met Vivaldi zijn eigen programma verloochende (Lachaert), en een mens begint zich af te vragen hoe deze coalitie niet zou kapseizen. Deze keer werd finaal nog wel een (halfslachtig) compromis gevonden, met de gebruikelijke financiële smeerolie van de overheid. Het is echter maar zeer de vraag of deze bonte Vivaldi-coalitie robuust genoeg zal blijken voor het volgende loonoverleg in 2023, met nieuwe verkiezingen in het verschiet én een onvermijdelijke en noodzakelijke terugkeer naar enige budgettaire discipline.

Jan Wostyn is gastschrijver voor Vlinks.