16/10/21 om 16:40 ‘De verkozenen des volks lijken wel bang te zijn voor de stem van het volk’, schrijft Edi Clijsters van Vlinks.

Rond de pot draaien, neen, dat was of is niet de stijl van (destijds) Groen-boegbeeld Mieke Vogels. En zorgvuldig omzwachtelde bewoordingen kiezen om toch maar niet op gevoelige teentjes te trappen, al evenmin. Onlangs zei ze dus nog eens on-omzwachteld waar het op staat: ‘De politiekers moeten eindelijk ballen tonen, verdorie’, als ze fundamentele problemen fundamenteel willen aanpakken. Maar ‘de politiekers’ – die van Groen incluis, aldus Vogels – durven dat niet, omdat ze ‘bang zijn van de kiezer’. Die angst werkt verlammend. Ten onrechte, want ‘de politicus die durft zal beloond worden’.

Dat is in elk geval duidelijke taal… al moet ze wellicht enigszins genuanceerd worden. Want Vogels wordt er allicht ongaarne aan herinnerd dat de Groenen, na hun eerste regeringsdeelname in de ‘paars-groene’ coalitie van premier Verhofstadt, in 2003 in Vlaanderen meedogenloos van de kaart werden geveegd. Beloond? Afgestraft, ja. Wegens pijnlijke zelfoverschatting bijvoorbeeld, maar misschien ook omdat ze juist niet zo buitensporig veel ballen hadden getoond.

Ballen tonen, het klinkt stoer. Maar hoe doe je dat? Een ronduit prachtige anekdote valt in dit verband te lezen in het onvolprezen boek van Kristof Smeyers en Erik Buyst ‘Het gestolde land’ (2016).

Toen na het einde van de Tweede Wereldoorlog de socialistische premier Achille Van Acker in 1945 na de ‘kolenslag’ ook de ‘lonen- en prijzenslag’ wou winnen, kondigde zijn regering een drastische prijzenstop af. Baron Vaxelaire, toen de baas van de grootwarenhuizen ‘Bon Marché’, liet daarop onomwonden verstaan dat zijn winkels zich van die opgelegde prijzenstop niets zouden aantrekken. Waarop de socialistische premier in onversneden Brugs repliceerde: “tons goan ek joen in den bak steken“. De baron begreep dat het menens was, droop af en respecteerde de prijzenstop.

Zó gaat dat, als een politiek leider ‘ballen toont’. Er vallen zo nog wel enkele anecdotes te rapen in de na-oorlogse vaderlandse geschiedenis, ook uit die van minder dan driekwart eeuw geleden. Maar nauwelijks nog uit de jongste decennia. Jammer.

Want zoveel valt uit de geschiedenis wel te leren: als de overheid (noem het abstract ‘de staat’ of concreter ‘de politiek’) zich niet lààt respecteren, moet ze ook geen respect verwachten. Om een slagzin uit onverdachte want commerciële hoek te parafraseren: respect moet je verdienen, elke dag.

En dan niet met ‘steekvlam-beleid’ dat alleen maar het media-stormpje van-de-dag achterna holt, maar met maatregelen die noodzakelijk zijn om de toekomst veilig te stellen. Ook al zijn ze op korte termijn wellicht weinig populair.

Daar duikt dan de angst voor de kiezer op. Maar “verdorie”, wat is dat voor een redenering?

In principe worden politici (m/v/x) toch niet naar het parlement gestuurd om angstvallig aan dagjespolitiek te doen; maar wel om te bekijken met wat voor problemen (‘uitdagingen’) de bevolking op iets langere termijn zal te maken krijgen, en om uit te dokteren welke daarvoor de meest ‘optimale’ aanpak kan zijn. Dat de mogelijke oplossingen behoorlijk uiteenlopend kunnen zijn, en dat daarover niet meteen eensgezindheid zal bestaan, is eigenlijk niet meer dan normaal.

Is democratie niet (volgens een ander Groen-boegbeeld van weleer) ‘het georganiseerde meningsverschil’? En heeft de electorale concurrentie tussen verschillende partijen juist niet tot doel om duidelijk te maken welke verschillende visies op de toekomst worden voorgelegd, en op hoeveel steun die dan kunnen rekenen? Partijen/politici stellen een programma voor, en proberen daarvan zoveel mogelijk kiezers te overtuigen, zelfs als dat soms moeilijk is. Dat is althans de nobele theorie.

In de praktijk blijken de verkozenen des volks daarentegen bang te zijn voor de stem van het volk. Dat betekent in feite – on-omzwachteld geformuleerd – dat ze niet voor een programma of voor een visie op de toekomst werven, maar slechts bekommerd zijn om hun her-verkiezing.

Die o zo moeilijke slag om de volksgunst moeten partijen en politici nu bovendien leveren in een arena die er helemaal anders uitziet dan pakweg twintig jaar geleden. Met onder meer kiezers die ‘onstandvastig’ en ‘wispelturig’ zijn geworden in plaats van ‘trouw’ (lees: gehoorzaam) nu de ooit zo machtige zuilen hun verstikkende maar ook verbindende greep op het kiezerscorps blijken kwijtgeraakt. Om die wispelturige kiezers te lijmen worden dus de ‘poppetjes’ van stal gehaald: de witte konijnen, de stemmenkanonnen, de mediagenieke figuren. Hoe oppervlakkiger, hoe liever.

Een ‘schoolvoorbeeld’ van een vicieuze cirkel is dat. Want zo’n aanpak maakt de kiezers alleen maar wispelturiger: er moeten telkens nieuwe poppetjes worden opgevoerd, telkens nieuwe steekvlammen aangewakkerd of geblust. Ernstige discussies over wààr men met de samenleving heen wil, en over de weg daarheen… dat is zo moeilijk, nietwaar. Zeker als je daarover weinig of weinig zinnigs te vertellen hebt.

De andere aanpak, die inhoud levert in plaats van de verpakking verfraait, is ongetwijfeld moeizamer; en wordt electoraal wellicht niet onmiddellijk beloond. Maar wel op termijn: omdat-ie een solied draagvlak vormt in plaats van een ‘onstandvastig’ kiezerspubliek… waarvoor je dan als politicus bang moet zijn.

Anno 2021 blijkt zo’n stevig draagvlak nog om een andere reden nodig: omdat de roep om ‘ballen’ anders afglijdt naar wat een recente opiniepeiling aan het licht bracht: dat (minstens) een derde van de kiesgerechtigde bevolking snakt naar een ‘sterke leider’. Waartoe dàt leidt is nochtans bekend.

Edi Clijsters is kernlid van Vlinks.