27/02/21 om 16:57  Jan Wostyn, gastauteur voor Vlinks, staat stil bij het systeem van de partijfinanciering in ons land, en doet een aantal suggesties hoe dit hervormd kan worden.

“Partijfinanciering: kunnen regeringspartijen zomaar beslissen om de middelen van de oppositie in te perken?”

In een eerdere column stipte ik hier reeds een aantal voorbeelden aan die lieten vermoeden dat het hoofdstuk over “democratische vernieuwing” uit het Vivaldi-regeerakkoord toch vooral schone schijn zou zijn. Na amper enkele maanden hebben de Vivaldisten al op zowat elke denkbeeldige manier tegen de eigen principes gezondigd. Grotere kabinetten, meer ministers en staatssecretarissen, politici die zelf de coronaregels niet volgen, vasthouden aan onzinnige en exuberante privileges voor ex-ministers, enz…

De laatste maand kwam daar ook nog bij dat de man die naar verluidt de pen vasthield bij het schrijven van het hoofdstuk over democratische vernieuwing, Kristof Calvo, intussen zelf beslist heeft in Nederland wat meer inspiratie op te doen. Liever dat dan in het Belgische parlement aan de leiband van de meerderheid te hangen. Een veeg teken.

De laatste weken barstte dan de commotie rond Sihame El Kaouakibi los. Initieel lag de focus op de verdachte geldtransacties vanuit haar vzw Let’s Go Urban naar haar privébedrijven. Dankzij een interne onthulling van bij de Open VLD-top, werd de focus echter vrij snel verlegd naar de voorkeursbehandeling die zij kreeg bij de verkiezingen, enkel mogelijk dankzij de veel te gulle partijfinanciering.

Het systeem van partijfinanciering is aan vernieuwing toe.

Politicologen als Dave Sinardet, Carl Devos en Bart Maddens merken terecht op dat dit thema om de zoveel tijd wel eens op de agenda verschijnt, maar dat er uiteindelijk niets verandert omdat geen van de gevestigde partijen er belang bij heeft in het eigen vlees te snijden. De voorstellen die links en rechts geopperd worden zijn meestal niet meer dan snel geïmproviseerde ad hoc aanpassingen, waarin eigenlijk maar één constante zit: iedereen is voorstander van voorstellen die de anderen treffen, maar de eigen partij buiten schot laten. Daardoor wordt het probleem nooit objectief en methodologisch benaderd. Bij deze toch een bescheiden poging.

De grote kernvraag die sowieso eerst moet gesteld worden, maar vaak vergeten wordt, is: waarvoor hebben politieke partijen geld nodig? Het antwoord hierop is drieledig. Ten eerste, hebben politieke partijen als getrapte ledenorganisaties middelen nodig hebben om in de interne organisatie en de ledenwerking te voorzien. Ten tweede zijn er middelen nodig voor een studiedienst om tot zinnige beleidsvoorstellen te komen. Ten derde zijn er middelen nodig om het verhaal, de ideologie, de beleidsvoorstellen en de figuren bij het brede publiek in de markt te kunnen zetten. Simpel gezegd kunnen we deze 3 verschillende domeinen benoemen als: interne werking, studiedienst en externe communicatie.

Secundaire vragen die zich stellen zijn: welke variabelen moeten in rekening genomen worden? Moet er een plafond ingesteld worden? En tot slot, wie moet dat geld betalen? De hervorming van 1989 met de wet Dhoore, waarbij partijen voortaan door de overheid gefinancierd werden was op zich een goeie zaak, om paal en perk te stellen aan de welig tierende corruptie. De idee was dat partijen onafhankelijk moesten zijn van grote private donoren. Vandaag zijn de partijen echter afhankelijk geworden van een steeds royaler overheidsinfuus, waarbij ze kennelijk het contact met de realiteit van de dorpsstraat volledig verloren zijn.

Financiering van de organisatie en interne werking

Wat de organisatie en interne werking van partijen betreft, lijkt het aantal leden de meest logische variabele om de werkingskosten te ramen. Immers, een partij met 10.000 leden heeft nu eenmaal meer kosten dan een partij met 1000 leden. Omdat het verifiëren van de ledenaantallen echter niet altijd evident is, en mogelijk ook privacy issues met zich meebrengt, lijkt het bijgevolg beter om te kijken naar de totale som van ledenbijdragen en giften. Uiteraard moeten de geldende beperkingen op donaties daarbij gerespecteerd worden. Dat bedrag zou na elk boekjaar vrij eenvoudig geverifieerd kunnen worden.

De partijen zouden dan verder ondersteund kunnen worden voor hun interne werking op basis van het matching funds principe, dat bijvoorbeeld in Duitsland en Nederland reeds bestaat. Voor elke euro die de partijen bij de burger weten op te halen, als lidgeld of als gift, krijgen ze een extra euro van de belastingbetaler. Waarschijnlijk is het wel zinvol om dit bedrag af te toppen, omdat de kosten voor de interne werking niet lineair toenemen met het aantal leden. Vanaf een zekere grootte, stijgen de werkingskosten immers niet meer evenredig. Aangezien de partijen momenteel relatief weinig geld bij de burger zelf ophalen, is het ook perfect mogelijk om hier een plafond te installeren waar iedereen momenteel ver onder zit, zodat geen enkele partij zich geviseerd kan voelen.

Financiering van inhoudelijke verdieping via de studiedienst

Alle partijen beschikken vandaag over een studiedienst, maar deze is niet altijd een apart gescheiden orgaan. Daardoor staat het partijen ook volledig vrij hun overheidsdotaties eerder te gebruiken voor externe communicatie dan voor het uitwerken of uitdiepen van beleidsvoorstellen. Dit lijkt geen gezonde situatie voor de burger, die meer dan ooit hunkert naar ernstig beleid, maar al te vaak op mediagenieke slogans wordt getrakteerd als #gewoondoen #hetkananders of #deveranderingwerkt, vaak gevolgd door beleidsmatige fiasco’s, zoals bijvoorbeeld recent met de terugdraaiende tellers van de zonnepanelen.

Voor de financiering van de studiedienst lijkt het niet onredelijk het huidige systeem te behouden: een vaste dotatie voor partijen met zetels in het parlement, en een bijkomende dotatie per behaalde stem. Dat impliceert dat grote partijen een grotere studiedienst zullen kunnen opzetten, maar dat kan zeker verantwoord worden vanuit twee oogpunten. Ten eerste genieten deze partij de voorkeur van meer kiezers en is het dus logisch dat zij meer kansen moeten krijgen om concrete beleidsvoorstellen uit te werken. Ten tweede is de kans in principe ook groter dat grotere partijen effectief in de regering komen om beleid te voeren. Zoals algemeen bekend is Vivaldi hier echter een notoire uitzondering op.

Hoeveel geld er precies naar deze studiediensten moet gaan is voer voor discussie. Wat belangrijker is, is dat dit geld ook echt aangewend wordt voor inhoudelijke verdieping. Dat kan enkel indien alle studiediensten aparte vzw’s worden, met gescheiden financiën, los van de eigen partij, en vooral ten dienste van de parlementaire fracties. Op deze manier kan de klemtoon terug meer op de inhoud liggen, en minder op tomeloze, maar vaak ook inhoudsloze externe communicatie. Bovendien krijgen de parlementairen, uiteindelijk toch de verkozenen des volks, zo ook terug meer armslag om op het beleid te wegen.

Financiering van de externe communicatie

In verkiezingsperiodes liggen de budgetten voor externe communicatie eigenlijk reeds vast. Er is een plafond afgesproken voor verkiezingsuitgaven waar alle partijen dienen onder te blijven. Daarbij bestaat wel een heel ongelijke regeling waarbij de topkandidaten tot 10 keer zoveel mogen uitgeven als lager geplaatste kandidaten. Op deze manier is de partij almachtig en is er geen gelijk speelveld tussen de kandidaten. Als de partijen de particratie écht in vragen willen stellen, dan wordt deze regeling best per direct afgeschaft.

Vreemd genoeg is er geen plafond in “normale” periodes, en dat leidt steeds meer tot wrijving tussen de partijen onderling en tot irritaties bij vele burgers. Dag en nacht worden potentiële kiezers tegenwoordig bestookt met allerlei gesponsorde boodschappen, vooral op Facebook. Het is natuurlijk de plicht van alle partijen om hun boodschap zo breed mogelijk uit te dragen, maar wanneer finaal alleen een Amerikaanse multinational er nog echt beter van wordt, stelt zich toch een probleem. Het lijkt dan ook een pertinente vraag of er ook in niet verkiezingstijd een beperking op het communicatiebudget moet ingevoerd worden.

Welke variabelen moeten dan bepalen hoeveel middelen elke partij krijgt voor externe communicatie? Sommigen zouden hier argumenteren dat alle partijen dezelfde kansen moeten krijgen om hun boodschap uit te dragen. Anderen zullen argumenteren dat grote partijen meer middelen nodig hebben om het contact met hun kiezers te behouden. Beide argumenten lijken zinvol dus is een combinatie van een vast bedrag met een extra bedrag per kiezer. Dit is dan ook het huidige systeem van de partijfinanciering.

De vraag die nu vooral op tafel ligt is: moet dit bedrag eventueel afgetopt worden? Hier lijkt duidelijk dat de huidige uitgaven veel te hoog liggen. Wanneer tijdens een verkiezingsperiode van 4 maanden (de sperperiode) voor alle partijen een absoluut plafond van 1 miljoen euro geldt, dus 250.000 euro/maand, dan lijkt het evident dat dit plafond buiten verkiezingsperiodes stukken lager zou moeten liggen. Een voorstel zou hier kunnen zijn dat het plafond maandelijkse uitgiften beperkt wordt tot 20% hiervan, dus 50.000 euro. Dat betekent dat voor elke partij de jaarlijkse dotatie voor externe communicatie niet hoger mag liggen dan 600.000 euro. Het huidige dotatiesysteem zou zo hervormd kunnen worden dat alle partijen hier onder blijven.

Echter, aangezien in de praktijk vooral Vlaams Belang en N-VA, en in mindere mate PVDA/PTB heel veel geld investeren in externe communicatie, is dit politiek heel gevoelige materie. Immers, kunnen regeringspartijen zomaar beslissen om de middelen van de oppositie in te perken? Bovendien heeft de oppositie sowieso minder mogelijkheden tot externe communicatie. De meerderheid beschikt namelijk over rijkelijk gevulde kabinetten en de ministers komen logischerwijze vaker in het nieuws dan de oppositie. Daarom zou het zinvol kunnen zijn om hier voor alle oppositiepartijen dit plafond op te trekken met bijvoorbeeld 50% tot 900.000 euro. Dat zou ook als bijkomend incentief hebben dat men ook twee keer nadenkt voor men de grootste partijen in de oppositie duwt.

Let wel: op welke media de partijen dit budget besteden moet hun vrije keuze blijven. Vlaams Belang poneert terecht dat zij niet anders kunnen dan zich tot de sociale media te wenden, omdat ze in de reguliere media niet dezelfde kansen krijgen als andere partijen. Een pure beperking op uitgaven op sociale media zou dan ook discriminerend en onfair zijn.

Conclusie

Het huidige systeem van partijfinanciering is aan vernieuwing toe. Dit systeem is sinds de initiële hervorming met de wet Dhoore in 1989 organisch verder gegroeid en daarbij volledig uit zijn voegen gebarsten, vooral omdat de traditionele partijen de electorale achteruitgang telkens probeerden te compenseren door nieuwe inkomsten aan te boren, zoals gedetailleerd wordt aangetoond door in het boek “De prijs van de politiek” (Maddens, Smulders en Wolfs).

De hervorming moet mijns inziens volgende krachtlijnen bevatten. Ten eerste een algemene vermindering van de toegekende middelen. Een reductie met 25% lijkt daarbij een minimaal streefdoel. Ten tweede een scheiding van de middelen voor de partij enerzijds (voor interne werking en communicatie) en een aparte studiedienst anderzijds. Ten derde een plafond op communicatie-uitgaven buiten verkiezingstijd, maar met een hoger plafond voor de oppositie.

Tot slot wil ik ook nog even inzoomen op het lot van kleine partijen die mogelijk wel (veel) stemmen halen, maar geen zetels. Ook zij zouden moeten aanspraak kunnen maken op bijkomende middelen voor hun interne werking via het matching funds principe. Ook zij zouden absoluut een vergoeding moeten kunnen krijgen voor de behaalde stemmen zodat er terug van onderuit nieuwe zuurstof in het politieke systeem kan komen. Vandaag bestaat er namelijk een discriminatie tussen kiezers: wanneer je stemt voor een partij die zetels zal halen, zal je die partij ook financieel versterken. Wanneer je stemt voor een kleine partij die waarschijnlijk (nog) geen zetels zal halen, is je stem ook financieel niets waard. All voters are equal but some more than others.

Het huidige systeem bestendigt een oligarchie van (traditionele) machtspartijen omdat het voor nieuwe initiatieven quasi onmogelijk is de kiezer te bereiken. De afschaffing van de kiesdrempel lijkt daarbij evenzeer een evidentie. Deze maatregel werd ooit ingevoerd onder de paarsgroene Verhofstadt I om, o ironie, de Vlaams-nationale erfgenamen van de Volksunie een hak te zetten. Wie 20 jaar later het resultaat van die ingreep ziet, kan bijna niet anders dan te besluiten dat dit soort politiek opportunisme par excellence één van de grondoorzaken is geweest van de neergang van de traditionele partijen. Door vandaag tegen beter weten in verder vast te houden aan de overdreven partijfinanciering, voeden de traditionele partijen verder de anti-systeempartijen. Zullen de Vivaldisten zich opnieuw aan dezelfde steen stoten door deze keer eenzijdig en ondoordacht de werkingsmiddelen van de Vlaams-nationalisten in te perken? Bezint eer ge begint.

Jan Wostyn is gastschrijver voor Vlinks.