Schoonselhof Hoboken, 12 juli 2020

 

Op ‘t feest der Gulden Sporen

te Antwerpen, bij klaren dag,

heeft Vlaanderen een held verloren

lijk de oorlog er géén zag.

 

Blindelings gevallen voor België

zijn duizendtallen,

duizendtallen, God heb’ hun ziel !

Wat hebt gij aan die allen,

Vlaamsch Volk?

Slechts één die voor u viel.

 

Wie zal den vos zijn kuren korten?

Wie rukt den Strauss de veeren uit?

Wie zal ‘t geweld in ‘t water storten?

 

Die jong zijt, wreek,

die Vlaming, wreek !

Bloed voor bloed ! Huid voor huid !

 

Die Vlaanderen boven België ziet,

welaan, laat ons met daden loven

den trouwen van den Reeck.

Dreigen niet, maar slaan !

Zijn dood zal voor me staan

als ik den beul naar ‘t herte steek.

 

 

René De Clercq, in ballingschap in Nederland, liet bij het politiegeweld met de dood van Herman van den Reeck voor gevolg, al zijn emoties los.

 

Het zinloos geweld dat Van den Reeck het leven kostte, riep massaal protest op. Paul van Ostayen, ‘compagnon de route’ in de literaire wereld, het activisme en in het revolutionaire streven naar een wereld van menselijkheid schreef een meer intimistisch In Memoriam.

 

Na het gedicht van Van Ostayen houden we een minuut van ingetogenheid voor de vermoorde Herman van den Reeck en voor wijlen Joost Vandommele, links-flamingant en actief betrokken bij zowat alle verenigingen en organisaties hier aanwezig. En bovenal de man die vandaag hier op deze plaats diende te staan.

 

Bloesems Bloeien Bloemen

zij worden geknakt

 

mensen staan het slagveld

zij worden gebroken

lenden knakken

 

kinderen staan de straat

zij spreiden armen open

zij vangen het schot

en vallen

 

Uit de huizen lopen

kinderen de straat

 

Marathondravers hun verlangen

zij storten thope een zware zak

 

langs gasthuisgrijsheid vlucht

nog flets begeren

 

wakkelende kaars

de ziel in het onblusbare licht

 

 

 

In een uitvoerige tekst die Joost Vandommele kort voor zijn overlijden schreef met het oog op vandaag 12 juli, honderd jaar na het overlijden van Herman van den Reeck, lezen we dat 1920 een scharnierjaar was. Het belgicisme dacht met de overwinning in de Groote Oorlog enerzijds komaf gemaakt te hebben met de Vlaamse beweging, en anderzijds wist het zich verzekerd van een nieuwe steunpilaar naast Koning, Kerk en Kapitaal, namelijk de sociaaldemocratie of de arbeidersbeweging. En toch verliep alles niet alles Belgisch vlekkeloos.

Een generatie jonge linkse flaminganten weigerden, net zoals Frontsoldaten om zomaar voort te doen als vroeger, alsof de oorlog geen breuklijnen gecreëerd had. Ze schikten zich niet in het vooroorlogse gareel. Ze hadden lak aan het burgerlijk denken, lak aan militarisme en wilden vooral een nieuwe, rechtvaardige wereldorde, aldus Joost Vandommele.

 

Die jonge generatie was rebels en bovenal beoefenden zij de deugd van het ongeduld. Zij grepen het moment. Hun aanhang groeide. Ze waren staatsgevaarlijk met hun republikeinse en Vlaamsgezinde gedachten, met hun pacifistisch pleidooi en hun visie op een rechtvaardige en egalitaire samenleving.

 

Honderd jaar later zijn de mainstream Vlaamse beweging en de Vlaamse partijen, met inbegrip van de zogenaamde V-partijen het spoor naar de ‘republiek van de menselijkheid’, zoals het klonk in de taal van de generatie Van den Reeck,… dat spoor zijn ze kwijt geraakt.

 

De nagedachtenis van Herman van den Reeck verdient het niet aan zijn graf een opsomming te aanhoren van alle valkuilen waarin Vlaamse beweging en V-partijen sindsdien niet alleen gesukkeld maar ook met kortzichtigheid gesprongen zijn, mét negering van de krachtlijnen van de Vlaamse emancipatiestrijd:

– rechtvaardigheid met een doorgetrokken democratie als fundament,

– solidariteit, zowel intergenerationeel, corona ingedachtig, als naar mensen met een beperking, zonder de nieuwkomers te vergeten.

– armoedebestrijding,

– gelijkwaardigheid

– en het beleven van onze identiteit met open blik op de wereld.

 

We staan hier vandaag samen, door covid 19 gereduceerd tot delegaties van sociaal-flamingantische organisaties. Het samen staan is verheugend en betekenisvol. De handen in mekaar slaan is hoopvol in een Vlaanderen met een te gering gemeenschapsgevoel.

 

Net als honderd jaar geleden wankelt de regressie. In deze coronatijden valt, nog sneller dan Leopold II van zijn voetstuk, het mantra van forse bezuinigingen in de sociale zekerheid. Het dogma van de eeuwige groei krijgt knauwen. Even wordt geluisterd naar de 32 jaar oude Witte Woede. Trump ziet zijn mythe van ‘America First’ gesloopt door China, covid 19 en eigen grootspraak.

 

Net als honderd jaar geleden, zij het in geheel andere omstandigheden, staan we op een mogelijk keerpunt.

Ook al viert de absolute regressie pré-elektorale hoogdagen,  toch rijpen dankzij de coronacrisis de geesten. Immers, de coronacrisis illustreert de enorme gevolgen van economische ongelijkheid, aldus de Franse econoom Thomas Piketty. Die ongelijkheid is  het betonrot dat de krachtige fundamenten van emancipatie aanvreet. Crisissen stellen de manier waarop we de maatschappij en de economie organiseren ter discussie. Of het leidt tot een rechtvaardiger maatschappij? Veel hangt af van welke bevolkingsgroepen zich roeren. Met heldere en klare communicatie dienen wij ons te roeren.

 

Nu zwijgen ontneemt ons sociaal-flaminganten elke verdere geloofwaardigheid. Zwijgen betekent geen tegenkracht vormen en de Vlaamse beweging voor eeuwig en drie dagen in de sterfput te duwen van neoliberalisme en xenofobie.

Uitgever Karl Drabbe bevestigt de sterfput in een interview in De Standaard van gisteren zaterdag: ‘Tegenwoordig vergelijk ik, aldus Karl Drabbe, de Vlaamse beweging met een woonzorgcentrum. Iedereen kent elkaar, iedereen wacht op het einde.’

Zwijgen betekent ook de erfenis van Herman van den Reeck, al over Hector Plancquaert, Jan Olsen en Antoon Roosens  te grabbel gooien. Aan kandidaten om hun gedachtegoed te recupereren geen gebrek, zie wat Herman van den Reeck overkwam en nog altijd overkomt.

 

‘Hoop doet leven’ zong Will Tura, naar aanleiding van 11 juli, gisteren op de Brusselse Grote Markt.

Sociaal-flaminganten dienen sterker dan ooit, gelet op het momentum, hoop uit te dragen. Hoop op Herman van den Reecks ‘republiek van de menselijkheid’. Onze fundamenten (solidariteit, rechtvaardigheid, democratie, soevereiniteit en gelijkwaardigheid laten we niet door betonrot aantasten. Het zijn de pijlers en pilaren in het groot project van samenlevingsopbouw. Aan geneuzel heeft niemand een boodschap.

Het symbool van den Reeck dient als eeuwig krachtvoer om van een autonoom Vlaanderen echt iets zinnigs te maken. Met die laatste zin citeer ik de slotzin van het betoog van wijlen Joost Vandommele.

 

Johan Velghe, dd. zondag 12 juli 2020, bij samenkomst 100 jaar na het overlijden van Herman van den Reeck, Schoonselhof, Antwerpen, met Vlinks, Meervoud, Vlaams-Socialistische Beweging (V-SB), Priester Daensfonds, Aan de IJzer en VOS Vlaamse Vredesvereniging.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Paul van Ostayen – in memoriam Herman van den Reeck

 

 

Bloesems  Bloeien  Bloemen

zij worden geknakt

 

mensen staan het slagveld

zij worden gebroken

lenden knakken

 

kinderen staan de straat

zij spreiden armen open

zij vangen het schot

en vallen

 

Uit de huizen lopen

kinderen de straat

 

Marathondravers hun verlangen

zij storten thope een zware zak

 

langs gasthuisgrijsheid vlucht

nog flets begeren

 

wakkelende kaars

de ziel in het onblusbare licht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een minuut van ingetogenheid voor Herman van den Reeck en voor Joost Vandommele