30/05/20 om 16:04 ‘Gezien de huidige impasse, lijkt een rechtstreekse onderhandeling tussen de Vlaamse en de Waalse regering zonder meer de beste uitweg’, schrijft Jan Wostyn van Vlinks over de aanhoudende formatiegesprekken. ‘Het huidige federale beleidsniveau botst op zijn limieten.’

In mijn vorige column schetste ik op basis van de cijfermatige kenmerken van de vier Belgische regio’s dat er geen sprake is van vier evenwaardige deelstaten, maar wel van twee grote deelstaten, Vlaanderen en Wallonië, die samen zowat het hele land uitmaken, en twee speciale, aparte gebieden met een specifieke taalkundige eigenheid, het tweetalige Brussels Hoofdstedelijke Gewest en de Duitstalige regio.

Daarnaast stelden we vast dat het federale niveau van het Koninkrijk België intussen reeds meer dan 500 dagen niet meer in staat was een meerderheid te vormen rond een gedeeld project voor België. Dit is trouwens de tweede keer in een decennium. We zitten intussen al meer dan 1000 dagen regeringsvormen op 10 jaar tijd. Gemiddeld meer dan 100 dagen per jaar zijn politici op federaal niveau bezig dus met politieke constellaties in plaats van met beleid.

Enkel deelstaten Vlaanderen en Wallonië zijn nog in staat om België uit het moeras te trekken.

Het huidige federale beleidsniveau stoot met andere woorden niet alleen tegen zijn limieten aan, zoals Yves Leterme een decennium geleden reeds vaststelde, maar heeft de limieten van een normale regeringsvorming met eenvoudige meerderheid reeds lang overschreden. Welke regering er finaal ook uit de bus moge komen, hopelijk beseft intussen iedereen dat een pijnlijk onsamenhangende post-coronacoalitie het hoogst haalbare is. Een land dat zich daarmee tevreden stelt, moet zich vragen stellen.

Communautaire onderhandelingen vanuit het Vlaamse en Waalse gewest

Gezien het numerieke overwicht van Vlaanderen en Wallonië samen op alle mogelijke indicatoren, lijkt het daarom een veel zinvollere insteek om per direct een rechtstreekse dialoog op te starten tussen de Vlaamse en Waalse regering, de twee belangrijkste democratische gedragen regeringen van ons land. Want enkel de deelstaten Vlaanderen en Wallonië zijn nog in staat om de comateuze Belgische zombiestaat uit het moeras te trekken.

Het toeval wil dat de huidige regeringsleiders op het Vlaamse en Waalse niveau in recente jaren allebei hun strepen verdiend hebben op het federale niveau en zelfs enige populariteit genieten in het andere landsdeel. Elio Di Rupo (PS) spreekt dan wel erbarmelijk Nederlands, maar werd in Vlaanderen niettemin gedoogd en zelfs als sympathiek ervaren dankzij zijn natuurlijke charme en correcte houding ten opzichte van de Vlaamse partijen in de moeizame onderhandelingen in 2010-2011. In vergelijking met de houding van Paul Magnette lijkt Di Rupo een verademing voor Vlaanderen. Jan Jambon (N-VA) van zijn kant was dan weer verrassend populair in Franstalig België als minister van Binnenlandse Zaken, een functie die hij correct en loyaal invulde, ondanks zijn ontegensprekelijke Vlaams-nationalistische overtuiging. In vergelijking met de tegenstand die de figuur van Bart De Wever weleens oproept in Wallonië, zou ook Jambon daar als een verademing kunnen gezien worden.

Gezien de huidige impasse, lijkt een rechtstreekse onderhandeling tussen de Vlaamse en de Waalse regering zonder meer de beste uitweg. De Vlaamse en Waalse regering zijn beiden legitieme regeringen die bovendien beiden over een ruime meerderheid in de eigen regio beschikken. Indien we de federale zetels van de partijen in beide regionale regeringen optellen, en daarbij de zetels uit de kieskring Brussel-Hoofdstad niet meetellen, komen we aan 86 zetels op 150. De rechtstreekse onderhandelingen tussen de Vlaamse en het Waalse gewestregeringen kunnen in die zin dus ook op het federale niveau op een democratische meerderheid buigen.

Vanuit die nieuwe aanpak kan dan eerst een akkoord gesmeed worden tussen Vlaanderen en Wallonië over welke bevoegdheden zij als regio willen opnemen en welke bevoegdheden zij federaal willen laten. Het is namelijk ook hoog tijd dat artikel 35 uit de grondwet na 26 jaar eindelijk wordt ingevuld. Ook daar is de redelijke termijn reeds lang overschreden. Indien hierover een akkoord is tussen de twee grootste regio’s die op zowat alle indicatoren meer dan 90% van het land vertegenwoordigen, zou het geen probleem mogen zijn om in een later stadium ook effectief tot een tweederdemeerderheid in het federale parlement te komen, met name na de verkiezingen van 2024, zodat de volledige Grondwet eerst voor herziening opengesteld kan worden.

Op basis van het huidige zetelaantal zou het bijvoorbeeld volstaan dat Groen en de SP.a zich daarna aansluiten bij hun ideologische broeders van Ecolo en de PS in Wallonië om vervolgens tot een tweederdemeerderheid te komen in het federale parlement (samen 103 zetels op 150, meerderheid in beide taalgroepen). Hiervoor zijn de 15 Brusselse zetels zelfs niet nodig. In een eerdere column toonden we overigens aan dat de kieskring Brussel-Hoofdstad op basis van het aantal kiezers eigenlijk maar 11 zetels zou moeten krijgen, maar dit geheel terzijde.

Ook Wallonië heeft baat bij meer regionale bevoegdheden

Een ver doorgedreven regionalisering van het Koninkrijk België wordt vaak gezien als een eenzijdige eis van de Vlaams-nationalistische partijen, als opstapje naar een volledige scheiding. Daarbij wordt echter over het hoofd gezien dat Wallonië eigenlijk de regio is die het meeste te lijden heeft onder de halfslachtige Belgische constructie van partiële en ondoorzichtige federalisering. Getuige daarvan de veel te lage tewerkstellingsgraad van 65% en de nefaste neiging om jobs zonder duidelijke toegevoegde waarden te creëren in de publieke sector, omdat de Belgische constructie zoiets budgettair nu eenmaal onvoldoende afstraft.

Niettemin zien we in Wallonië wel degelijk tekenen dat het de economische denkrichting in de hoofden aan het keren is. Zo groeide de export de laatste jaren sterker dan de Vlaamse, onder impuls van een gericht beleid van het regionale agentschap AWEX. Ook het besef dat de tewerkstellingsgraad dringend omhoog moet is diep doorgedrongen in de structuren van Le Forem, de Waalse tegenhanger van de VDAB. Regionale agentschappen zijn in een divers land nu eenmaal veel beter in staat een beleid op maat uit te werken dan een federale eenheidsworstbenadering.

Eigenlijk beschikt Wallonië ook gewoon over alle ingrediënten om een grote economische heropleving tot stand te brengen: net als Vlaanderen heeft Wallonië een hoogopgeleide bevolking met Europese topuniversiteiten en een centrale ligging in het hart van Europa. Daarnaast heeft Wallonië letterlijk veel meer ruimte voor de inplanting van nieuwe industriegebieden en logistieke hubs, daar waar Vlaanderen lijdt onder een te grote congestie. Tot slot heeft Wallonië een jongere bevolking wat de economie net nieuwe impulsen zou kunnen geven.

Eigenlijk zijn er maar 2 zaken waar het Wallonië vandaag aan ontbreekt: een geloof in het eigen, regionale potentieel én de bevoegdheden om tot potentieel ten volle te benutten. De angst voor een financiële aderlating en zelfs structurele verarming bij een verdere regionalisering is reëel en terecht. Daarom moeten Vlaanderen en Wallonië samen een solidariteits- en investeringspact uitwerken dat ervoor zorgt dat Wallonië het eigen economische potentieel ten volle kan benutten, zonder dat het moet vrezen voor economische verarming. Het opkrikken van de tewerkstellingsgraad van 65% naar 75% kan enkel en alleen indien Wallonië de teugels zo goed als volledig in eigen handen krijgen, ondersteund door een investeringsbeleid vanuit Vlaanderen en Frankrijk en een verbintenis om de overheidstewerkstelling in Wallonië gradueel maar structureel af te bouwen in de komende 20 jaar.

Quid Brussel?

Ongetwijfeld zal de lezer opgemerkt hebben dat Brussel in dit hele verhaal voorlopig niet voorkomt. Impliceert dit dan een ontkenning van het bestaan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG), zoals Franstalige kwatongen zullen beweren? Geenszins! Wel vertrekt deze benadering vanuit de realiteit dat een akkoord over een diepgaande hervorming van België sowieso een akkoord tussen Vlaanderen en Wallonië veronderstelt.

Uiteraard reageren Brusselse coryfeeën zoals Charles Picqué (PS), voormalig minister-president van het BHG dan enigszins gepiqueerd, als zou Brussel genegeerd worden, maar laten we wel wezen: Brussel weegt gewoon te licht om een staatshervorming in de weg te staan die in Vlaanderen en Wallonië een draagvlak heeft en een grotere beleidscoherentie voor de 2 grootste gewesten mogelijk maakt.

Eens dat akkoord gevonden is, moet voor Brussel uiteraard een mogelijk heel asymmetrische ad hoc oplossing uitgewerkt worden. Uiteraard verdient Brussel een apart statuut in lijn met de speciale status en diversiteit van dit stadsgewest. Het BHG vertegenwoordigt echter slechts 7,6% van de Belgische stemmen en kan vanuit die realiteit niet eisen dat de twee grootste regio’s gewoon verder passief toekijken hoe het federale niveau onstuitbaar op een fataal hartinfarct afstevent. Brussel is in die zin geen région à part entière maar wel een région entièrement à part.

Wat het nieuwe statuut van het BHG ook moge wezen, uiteraard moet dit tegemoet komen aan specifieke Brusselse verzuchtingen. Bevoegdheden die toehoren aan een grootstad zullen vrij evident ook aan het BHG moeten worden toegewezen. Maar voor tal van andere Vlaams-Waalse bevoegdheden zal men zich toch de vraag moeten stellen of dat wel zinvol is voor Brussel. Een minister van landbouw is bijvoorbeeld een evidentie voor Vlaanderen en Wallonië, maar eerder een absurditeit voor Brussel. Indien de Brusselaars zich niet kunnen vinden in het Vlaams-Waalse akkoord staat het hen altijd vrij een eigen onafhankelijke stadstaat uit te roepen. Misschien is het dat waar Beatrice Delvaux op doelde toen zij sprak over de vorming van een “Brussels front”. Het lijkt ons in dat geval wel verstandig even over de financiering van dat Brussels front na te denken voor men die stap in het onbekende waagt.

Quid Franse gemeenschap?

Wat dan met de Franse gemeenschap, ook wel bekend als de “Fédération Wallobrux”, een benaming die trouwens geheel ongrondwettelijk is, maar we weten al langer dat de Grondwet in dit land uiteindelijk slechts een vodje papier is.

De Franse gemeenschap verkeert reeds langer in financiële ademnood én in een ongemakkelijke spreidstand, die vroeg of laat tot een pijnlijke liesscheur zal leiden. Het recente voorstel van het neo-Belgicistische Ecolo om Nederlands te verplichten in het Franstalige onderwijs toont ironisch genoeg net aan hoe onhoudbaar de Franse gemeenschap op termijn is, nog los van de budgettaire problemen. Daar waar Nederlands als verplicht vak in Franstalige Brusselse scholen een evidentie is vanuit de meertalige Brusselse context en noden van de lokale arbeidsmarkt, bestaat voor een dergelijke maatregel in Wallonië eigenlijk zo goed als geen draagvlak, noch op politiek niveau, noch maatschappelijk.

Wat Waalse leerlingen vooral nodig hebben is een betere kennis van het Engels, zodat het Waalse gewest beter haar centrale ligging in het hart van Europa kan benutten.

De “Fédération Wallobrux” is dan ook niet meer dan een mooie façade van een oud herenhuis waarvan zowat elke balk door houtworm is aangetast en elk stuk metaal volledig is doorgeroest. Alle cement tussen de bakstenen is reeds lang weggespoeld. Stutten kan nog wel even, maar dat gebouw redden is een illusie.

Quid Ost-Belgien?

Ost-Belgien ligt geografisch volledig in Wallonië. Het is daarom evident dat Wallonië, en enkel Wallonië, een apart statuut onderhandelt met de Duitstaligen binnen het kader van het Waalse Gewest. Uiteraard verdienen de Duitstaligen autonomie op vlak van cultuur en onderwijs, zoals nu reeds het geval is via de Duitstalige Gemeenschap. Het lijkt ons echter al te gek om de Duitstalige regio als een volwaardig gewest te gaan beschouwen. Het inwonertal ligt lager dan dat van het voormalige kiesarrondissement Roeselare-Tielt. Misschien hebben de inwoners van Roeselare-Tielt ook interesse om een ‘evenwaardige’ deelstaat te worden in een Belgische federatie met vijf? Met West-Vlaamse taalfaciliteiten en een eigen regering?

Deze benadering impliceert ook dat Vlaanderen zich daarbij volledig afzijdig houdt. Het statuut van de Duitstaligen binnen Wallonië is een pure interne aangelegenheid van het Waalse Gewest.

Conclusie

Een benadering van de Belgische kwestie die vertrekt vanuit de noden van de grootste regio’s Vlaanderen en Wallonië is de beste garantie op een oplossing voor de institutionele patstelling die België vandaag lamlegt. Dit doet geen afbreuk aan de eigenheid van Brussel of de Duitstalige regio maar herleidt de respectievelijke belangen van de verschillende bevolkingsgroepen in ons land tot hun ware proporties. Wat goed is voor Vlaanderen én Wallonië zal uiteindelijk ook goed zijn voor de Brusselaar. Wat goed is voor de twee grootste gewesten, zal logischerwijze ook de overgrote meerderheid van de inwoners dan dit land ten goede komen.

Jan Wostyn is gastauteur voor Vlinks