25/04/20 om 12:58 ‘Wie wil regeren, moet kunnen vooruitzien’, schrijft Edi Clijsters van Vlinks over de aanpak van de coronacrisis door onze politici.

Je hoort vandaag weleens zeggen dat we in ‘revolutionaire tijden’ leven. Dat klinkt indrukwekkend of angstaanjagend, al naar gelang men revolutie een aanlokkelijk of een weerzinwekkend perspectief vindt. Maar strikt taalkundig is het zo. Revolutie, dat is: het radicaal omgooien van een tot dusver algemeen aanvaard paradigma, een manier van denken, van werken, van samenleven.

Hoe ging dat in pre-corona-tijden? Er werd doorgaans met ontzag opgekeken naar ‘boven’, naar gezagsdragers en bewindslui, want die hadden het beste met ons voor, of wilden ons dat toch laten geloven. Naar ‘beneden’ werd met allesbehalve ontzag gekeken. Eerder met wat geringschatting zelfs, of in het beste geval met een beetje meewarig respect. Want ze bleven het -onderbetaald en ondergewaardeerd – ‘daar beneden’ toch maar doen, al die dingen waar de doorsnee burger zijn neus voor ophaalde.

De ondergewaardeerden van gisteren zijn de helden van vandaag.

En kijk, dat is nu plots allemaal veranderd. Er vindt een radicale omwenteling plaats van ontzag en waardering. Geen wonder dat sommigen de corona-pandemie zien als een wereldwijd communistisch complot… In ernst: wie oren heeft om te horen, terwijl en ogen om te zien kan het onmogelijk ontkennen: de ondergewaardeerden van gisteren zijn de helden van vandaag, terwijl er geen dag voorbij gaat of een of andere excellentie oogst met een of ander kloek besluit alleen maar verbijstering, hoongelach en woede.

Een jonge partijvoorzitter die nog niet heeft geleerd zijn medeburgers om de tuin te leiden met onverstaanbaar jargon noemde wat de regeerders dezer dagen presteren in één enkel goedgekozen woord ‘gepruts’.

Is dat te negatief? Ze doen toch ook maar wat ze kunnen? Ze konden dat toch niet voorzien? Ze zijn toch ook maar mensen? Ocharme. Is dat niet verrassend, en precies wat hierboven staat: de meewarigheid die vroeger het deel was van de onderbetaalden en ondergewaardeerden die de boel wel draaiend hielden, is nu van richting veranderd, en het ontzag ook. Hopelijk voor langer dan een paar weken.

Want, eerlijk gezegd, er valt op de verzamelde besturende elites echt wel een en ander aan te merken. Dat brengt de democratie niet in gevaar. Integendeel: het is hoognodig om ze overeind te houden in post-corona-tijden.

Een van de vele ‘wijsheden voor het leven’ die je vroeger op school meekreeg, luidde: ‘gouverner, c’est prévoir‘. Regeren is vooruitzien; maar in het Frans klonk het nog wat serieuzer. En een goede leerkracht legde dan uit dat ‘regeren’ toch wel wat meer betekende dan ‘besturen’. Dat laatste is dagjeswerk, bestaande regels en regeltjes toepassen en handhaven, kortom: op de winkel letten. Wie de naam regeerder wil waardig zijn moet verder kijken, vooruitzien. Niet alleen bij allerlei deskundigen rapporten bestellen over mogelijke ontwikkelingen of gebeurtenissen in de toekomst, maar dan die rapporten ook lezen en er rekening mee houden. Wel, dat is in dit land – en echt niet alleen hier – aantoonbaar niét gebeurd.

De aandachtige krantenlezer(es) verneemt tot zijn en haar verbijstering hoeveel stevig onderbouwde rapporten al gewaarschuwd hebben voor dit soort toestanden (zonder het vermaledijde beestje een naam te geven, maar daar ging het ook niet om) maar nooit ter harte werden genomen. Men verneemt – en jawel ‘dit is Belgisch’ – dat een strategische reserve aan mondmaskers werd vernietigd omdat het huurcontract voor een stapelplaats afliep. Wie oud genoeg is herinnert zich hoe ook ten tijde van de kernramp in Tsjernobyl bewindslieden zichzelf en de bevolking aanvankelijk wilden wijsmaken dat het ‘hier’ allemaal zo erg niet zou zijn. Men stelt vast dat in het eengemaakte Europa informatie niet of niet tijdig wordt doorgespeeld en maatregelen kris-kras door elkaar worden genomen en tenslotte in paniek grenzen weer gesloten worden. Allemaal overbekend, allemaal ongelooflijk ontluisterend voor de superieure geesten die ons regeren.

Niet zonder reden wordt her en der al de vraag opgeworpen hoe de democratie uit deze crisis zal komen. Versterkt of verzwakt?

Als je de geweldige inzet bekijkt van vele tienduizenden mensen die zonder gejammer, geruzie of getreuzel – en vooral: zonder te wachten tot er duidelijkheid komt in de chaotische overheidscommunicatie – op kleine schaal problemen praktisch aanpakken, dan is er toch wel hoop dat gemeenschapszin en sociale inzet niet meteen zullen verdwijnen.

Iets minder vrolijk stemmen de berichten over de manier waarop autoritaire ‘leiders’ (of ze nu van Aziatische, van Centraal-Europese of van Yankee-makelij zijn) nu regels opleggen waarvan nog zal moeten blijken hoe ‘voorlopig’ ze zijn. Waarschuwingssystemen die je ‘voor je eigen veiligheid’ om je pols bindt, maar die in wezen hetzelfde zijn als een elektronische enkelband … de trotse ‘nieuwe samenleving’ is minder ver af dan gedacht.

Minder dramatisch op het eerste gezicht, maar niet minder verontrustend is wat zich onder onze ogen afspeelt. Oordeel zelf: wat heeft een democratie te verwachten van regeerders die de onzinnigste maatregelen nemen zonder er zelfs maar aan te denken vooraf overleg te plegen met de mensen die dag-in, dag-uit proberen het hoofd boven water te houden ‘in de eerste frontlijn’? Empathisch vermogen is niet iedereen gegeven. Maar is elementaire beleefdheid tegenover ‘de helden van vandaag’ echt teveel gevraagd?