18/04/20 om 10:00 ‘Zou een geplande en doorgedreven publieke actie voor een serieuze en duurzame opwaardering van de lonen voor verpleegkundigen geen logisch en moreel correct vervolg moeten zijn op ons dagelijks applaus?’, vraagt Ludo Abicht, kernlid van Vlinks, zich af.

Met zijn gekende uitspraak ‘erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral’ heeft Bertolt Brecht onder normale omstandigheden natuurlijk gelijk: eerst moet je ervoor zorgen dat al die verpleegkundigen fatsoenlijk betaald worden voor hun jarenlange en dagelijkse inzet en pas daarna kan je, als kers op de taart, voor de moraal gaan zorgen. In deze coronatijden zijn dat de enthousiaste applausconcerten en de witte lakens, louter symbolische maar hartverwarmende gebaren waar wij trouwens ook elke avond aan meedoen. De meerwaarde is bovendien dat we plotseling in contact komen met buren die hier ook al lang wonen, maar van wie we het bestaan alleen achter gesloten ramen konden vermoeden.

Doch die Verhältnisse, sie sind nicht so.

De laatste keer dat ik zulke volgehouden solidariteitsacties tussen buren heb meegemaakt was aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, toen we ondanks de schaarste heuse straatfeesten, Vlaamse kermissen in mineur, organiseerden in onze straat in Deurne. Wie nog wat voorraad in huis had, deelde die met de hele straat – bijna alle straten in onze voorstad waren een soort van ‘vergeten straat’ geworden – en wie niets over had, deed mee aan rolschaatswedstrijden of speelde muziek. En wij, jongens van zes tot tien, die zelfs dát niet konden, hielden in het halfdonker wedstrijden in het om ter hoogst plassen tegen een schuttingmuur, kwestie van onze jonge mannelijkheid te bevestigen.

Laten we de verpleegkundigen en onszelf bewijzen dat ons enthousiasme niet vrijblijvend was.

Ben ik nostalgisch naar die tijd? Ja en nee, want dezelfde schaarste leidde ook tot letterlijk bloedige gevechten tussen een verbouwereerde melkboer en een buur die vond dat hij te weinig met water ‘gedoopte’ blauwachtige melk had gekregen. Onze buurman bewerkte daarop woedend de melkboer met een steelpan tot het bloed over diens gezicht stroomde. Ook dat kon gebeuren. Maar het is de andere kant, die spontane solidariteit tussen mensen die ‘niet van hetzelfde gedacht waren’, met name katholieken en socialisten, die toch een diepere indruk op mij heeft gelaten dan het handvol chagrijnige buren.

Wat te doen in tijden van burgerlijke machteloosheid?

Als burger staan we machteloos in de strijd tegen een onooglijk virus. We kunnen alleen maar hopen op een spoedige medische doorbraak en een reddend vaccin, en intussen onze welgemeende dank betuigen aan de kleine groep specialisten en vorsers en vooral aan de overweldigende massa verpleegkundigen die we altijd al wel gewaardeerd hadden, maar die nu gewoon de belangrijkste mensen in onze samenleving blijken te zijn. Sluit de filosofen, influencers, commentatoren, schrijvers van columns als deze, bankbedienden en ambtenaren op, maar laat de artsen, verpleegkundigen en, jawel, de mannen van de reinigingsdienst vrij en je zal het verschil nauwelijks merken.

Maar er valt nog iets anders op: het grootste gedeelte van die verpleegkundigen zijn vrouwen en meisjes die vaak met een dubbele dagtaak belast zijn. Ze zijn dus gewoon onontbeerlijk, ook buiten de crisisperiodes, en toch behoren zij, deze belangrijkste burgers, merkwaardig genoeg niet tot de top van de loon- en weddetrekkenden.

Zou een geplande en doorgedreven publieke actie voor een serieuze en duurzame opwaardering van hun lonen geen logisch en moreel correct vervolg moeten zijn op ons dagelijks applaus, als het ware een Moral die uitzonderlijk aan het Fressen voorafgaat? Laten we de spreuk van Brecht omdraaien en al die verpleegkundigen, overheden en onszelf bewijzen dat ons enthousiasme deze keer niet vrijblijvend was. Zo zullen we alvast beter en eerlijker op de volgende crisis voorbereid zijn.