22/02/20 om 15:56  Edi Clijsters van Vlinks over de ongemakkelijke vragen die zijn opgedoken naarmate Vlaanderen meer zelfbestuur kreeg.

Op 19 februari was het precies 55 jaar geleden dat in het toenmalige onafhankelijke weekblad ‘De Nieuwe’ over de hele voorpagina een edito verscheen dat ronduit historisch mag worden genoemd. Een vergelijking met het befaamde ‘J’accuse’ van Emile Zola in 1898 is te hoog gegrepen, maar in de geschiedenis van de na-oorlogse Vlaamse pers is in elk geval geen ander geval bekend waarin een vlammend betoog van de hoofdredacteur het blad met één klap ongeveer een derde van zijn abonnees kostte.

‘De Nieuwe’ was minder dan een jaar voordien gestart, los van om het even welke zuil of privé-belang, en was al gauw een gezaghebbende stem geworden in het Vlaanderen dat zich toen zienderogen begon te emanciperen van Kerk en eenheidsstaat. Het profileerde zich als tegelijk erg Vlaamsgezind en (voor die tijd) erg progressief… een combinatie die nu onvoorstelbaar lijkt, maar toen op brede instemming kon rekenen bij massa’s jongeren, en niet alleen bij hen.

Vlaanderen is autonomer geworden, maar doen we écht alles wat we zelf doen beter?

Maar met dat ene, ophefmakende en voor een beginnend weekblad welhaast suïcidale standpunt had hoofdredacteur Mark Grammens te hard op teveel conservatieve Vlaamse tenen getrapt. Hij had het gewaagd in een bittere uitval tegen de Volksunie-leiding de vraag-der-vragen op te werpen die veel Vlaamsgezinden angstvallig probeerden – én proberen – te ontwijken.

Zijn vraag, zijn verzuchting was tegelijk een eis en een waarschuwing: “Wij willen niet een Vlaanderen, maar een schoon Vlaanderen”. Lees: allemaal goed en wel dat Vlaamse zelfbestuur, maar wat willen jullie daarmee aanvangen?

In die jaren brachten fraaie kijkboeken “Vlaanderen tussen gisteren en morgen” in beeld, waar boven de “weiden als wiegende zeeën” kolossale petrochemische complexen torenden, en “de heuvelen van ruisend koren” plaats moesten ruimen voor autosnelwegen en fermettes. Vlaanderen ontworstelde zich aan zijn materiële armoede, en de democratisering van onderwijs en cultuur bracht ook de geestelijke ontvoogding op dreef. Maar naarmate sociaal-economische ontplooiing en politieke autonomie vorderden, doken ook ongemakkelijke vragen op.

Hoe moet het dichtbevolkte Vlaanderen omgaan met ruimtelijke ordening? Hoe vervangen we de verzuilde samenleving door een echte democratie ? Hoe wordt de toenemende welvaart verdeeld zonder iemand achter te laten? Mag Vlaanderen zich onvoorwaardelijk scharen achter de Koude-Oorlogspolitiek (die destijds een heel reële nucleaire dreiging inhield) of zal het bijdragen tot een ‘wereldvredespolitiek’? ‘De Nieuwe’ stelde die vragen toen al. En ze zijn in de voorbije jaren alleen maar prangender geworden. En pijnlijker.

Want ondertussen is Vlaanderen op vele terreinen inderdaad heel wat autonomer geworden, maar heeft het jammer genoeg vooral bewezen dat wij hoegenaamd niét ‘beter doen wat we zelf doen’.

Integendeel. De Vlaamse conservatieven van 1965 (in en buiten de Volksunie) kon je nog van enig sociaal paternalisme verdenken; de centen-nationalisten die het vandaag voor het zeggen hebben, zien slechts heil in een meedogenloze competitie-maatschappij. Winst en Groei zijn de nieuwe godheden waaraan niet mag getwijfeld worden; ultra-liberalisering en dito individualisering zijn de weg om nader tot die godheden te komen.

De centen-nationalisten die het vandaag voor het zeggen hebben, zien slechts heil in een meedogenloze competitie-maatschappij.

Dat die nieuwe religie een allesbehalve “schoon Vlaanderen” zal tot stand brengen wordt met de dag duidelijker. Op tal van maatschappelijk belangrijke terreinen wordt resoluut koers gezet naar de negentiende eeuw: ruimtelijke ordening onbestaand, kunst en cultuur aangewezen op enkele welgestelde nobele zielen, armoedebestrijding een taak voor de ‘Gutmenschen’ uit de burgerij, en gezondheidszorg voor de ‘nonnekes’. Dat is een karikatuur, zeker. Maar die duidt wel aan waarheen de privatiserings-obsessie zal voeren, wanneer steeds minder geld wordt besteed aan activiteiten die niet meteen geld opbrengen.

Terwijl verdorie reeds op het eind van die negentiende eeuw een intellectueel monument als August Vermeylen (in 1895) waarschuwde dat de gewone Vlamingen er bitter weinig zouden aan hebben dat ze voortaan door Nederlandstalige bazen zouden worden uitgebuit en tegen elkaar opgestookt, of door Nederlandstalige officieren de dood ingejaagd. Wat was het gemakkelijk in ouderwetse flamingantische slogans tekeer te gaan tegen “het franskiljonse grootkapitaal”; hoeveel moeilijker is het toe te geven dat ‘Vlaamse’ kapitalisten hoegenaamd geen garantie betekenen voor een “schoon” en leefbaar Vlaanderen in de eenentwintigste eeuw.

Na 1895 en 1965 mag nu wel ’s een auteur geciteerd die allesbehalve flamingant is, en die anno 2020 beklemtoont dat met het oog op de toekomst “niet het nationalisme het probleem zal blijken, maar het kapitalisme” (Th. Piketty).

Zo is dat. Het staat leidende Vlaamse politici vrij de resterende Vlaamse rechtvaardigheidseisen in de immense diepvries te stoppen onder het altaar van Groei en Winst. Het staat hen vrij een ietwat opgeborsteld dialect te hanteren in plaats van behoorlijk Nederlands, en die taal – waar het ooit allemaal om begon – naar de academische vuilnisbak te verwijzen in naam van de internationale competitie.

Maar dat ze er dan in vredesnaam mee ophouden de mensen wijs te maken dat ze de Vlaamse belangen verdedigen. En laat ze vooral niet langer de vermoorde onschuld spelen wanneer honderdduizenden jonge Vlamingen van ‘Vlaanderen’ niet meer willen weten.

Edi Clijsters is kernlid van Vlinks