‘Het valt op dat de ooit zó sterke en brede Vredesbeweging in Vlaanderen, met amper 33 jaar terug nog de vele honderdduizenden anti-rakkettenbetogers, zowat uitgestorven is’, schrijft Joost Vandommele van Vlinks naar aanleiding van 11 november.

Op 11 november is het 100 jaar geleden dat de wereld voor de eerste keer in brand stond. Wat aanvankelijk een korte ruzie tussen heetgebakerde koninklijke neven had moeten zijn (zowat alle toenmalige staatshoofden waren familie van elkaar), mondde uit in een slachtpartij zoals de mensheid er nog nooit een had meegemaakt. Als de hel zich ooit gemanifesteerd heeft, dan zal het tussen 1914 en 1918 geweest zijn, niet in het minst aan het Vlaamse front.

Maar wat overblijft, is niet de ellende, maar de romantische heroïek. De Eerste Wereldoorlog is herdacht zoals te verwachten viel, met ontzettend weinig aandacht voor de echte oorzaken ervan noch voor de gevolgen voor tal van betrokkenen. Uiteraard speelde er meer mee dan de koninklijke ego’s. De viriele Duitse industriële nieuwkomer was een bedreiging voor de almacht van het Britse wereldrijk en moest ingedijkt worden, er was ook de controle over almaar belangrijker wordende olievelden, er moesten nog openstaande rekeningen vereffend worden (Elzas Lotharingen) en ten slotte maar zeker niet onbelangrijk: de emancipatiedrift van de kleine man en de kleine volkeren moest dringend beteugeld worden.

Overigens was er vrij weinig animo voor de 100ste verjaardag van de Russische revolutie. Natuurlijk evolueerde deze uiteindelijk naar de vreselijkste dictatuur ooit maar initieel ging het om brood, vrede en vrijheid. Toch een belangrijke periode voor de sociaal-democratie, al kapituleerde die in 1914 ook voor de ‘nationale militarismen’, hoe graag ze na de oorlog, vanuit de oppositie, occasioneel teruggreep naar het oorspronkelijke antimilitarisme…

Bij de herdenkingen zagen we geen gemeende verbroedering tussen de nazaten van de toenmalige tegenstrevers, geen oproep tot het uitstippelen van een mondiale vredesstrategie, geen plan om een kettingreactie van oorlogsverklaringen zoals in 1914 te voorkomen. De tijden zijn er ook niet naar. Onze leiders roeren met beangstigend gemak de oorlogstrom en pakken ongegeneerd uit met stoere strijdtaal.

Het adagio van Wellington House, de toenmalige Britse propagandadienst, blijft feitelijk overeind: dat Duitsland de volledige schuld van de oorlog trof en dat de onzinnige en gruwelijke offensieven van de Somme, de Derde slag van Ieper enz, eigenlijk wel gerechtvaardigd waren om “onze vrijheid en democratie te vrijwaren”.


Baas spelen in België is belangrijker geworden dan Vlaams zelfbestuur.

Helaas lijkt ook het Vlaamsnationalisme zich steeds verder van zijn wortels te zijn gekeerd. Na vijf jaar regeringsdeelname staat de N-VA eerder op het standpunt van Frans Van Cauwelaert dan dat van de Frontpartij, laat staan van het verguisde activisme. Baas spelen in België is belangrijker geworden dan Vlaams zelfbestuur. Ook de pacifistische wortels lijken te verschrompelen. Het overtuigde ‘Nooit meer oorlog’ van de frontsoldaten klinkt enkel nog als een verre echo, overstemd door het geraas van de F-35. Bij de aankoop van de F-16’s stond VU-volksvertegenwoordiger Nelly Maes in 1973 nog duizenden stakende scholieren op de Grote Markt van Sint-Niklaas geestdriftig toe te spreken. Vandaag worden de F-35’s bijna ‘al stoemelings’ besteld. N-VA probeert hier zelfs de schijn niet op te houden door eventueel tezelvertijd te werken aan een vredesdiscours.

Het valt op dat de ooit zó sterke en brede Vredesbeweging in Vlaanderen, met amper 33 jaar terug nog de vele honderdduizenden anti-rakkettenbetogers, zowat uitgestorven is.

Misschien is het nodig om nog eens te luisteren naar een stem die de verschrikkingen en het onrecht van 100 jaar geleden aan den lijve ondervonden heeft.

Dit is het originele, ongezouten relaas van mijn grootvader, onderwijzer-brancardier Piet Vandommele. Het is deze onbevreesde taal die we vandaag helaas missen:

Ik lag toen (in de uitzonderlijk koude winter van 1917-18, nvdr) met een deel van de kompanie op rust in houten barakken van ’t leger in Oeren. De 3 brankardiers konden als verblijfplaats beschikken over een kleine loods, waar ook het onderzoek van de dokter en de verpleging der zieken en kleine kwetsuren kon geschieden. Daar de kompanie geen kolen verschafte, moesten de wilgen, de struiken en de bomen van de omtrek eraan geloven en ze werden, gekapt en gekloven, gestookt in de kachels die we in de loodsen gevonden hadden, achtergelaten door de kompanie die daar voor ons gelegerd had.

In ons kotje stond ook zo één van die kleine duivelkens gemaakt van een niet ontplofte bom van de fritzen. Om ’t gekapte hout te laten drogen, hadden we de stukken opgestapeld tussen de wand en de stoofbuis. ’t Stoofke stond roodgloeiend toen opeens het barakske volstond met generaals van de staf met onze kapitein en sergeant-fourrier. Ik sloeg aan, min of meer onbeholpen door ’t feit dat men ons, brankardiers, soldaten van 2de klas, dit nooit had geleerd. Toen bemerkte ik de koning, in uniform van generaal temidden die regen van sterren. De koning sprak me aan in ’t Vlaams met een Duitse tongval en met een blik op de brandende kachel en ’t opgestapelde hout daarachter, zei hij iets van “’t is hier goed warm, ’t mag wel in zo’n strenge kou”. Ik trok mijn stoute schoenen aan en zegde “Ja, Sire, maar gelijk ge ’t ziet, worden hier geen kolen van de kompanie gestookt, maar we trekken ons plan en we stoken toch!’

(door de bevoorradingsdienst van het leger, de fameuze Intendance, moest in het winterseizoen 1 kg steenkool per man en per dag beschikbaar gesteld worden, nvdr)

Ik vervolgde: “Ik ben 2 jaar in de kompagnie en nooit werd er ons één kg kolen geschonken!’ Grote ontsteltenis vooral bij de kapper en de fourrier volgde op die woorden. Er ontstond beroering en er werden verontschuldigingen gesproken van kolen voor de keuken. De waarheid is dat de kolen, behalve voor de keuken, dienden voor het verwarmen van de mess en ’t logies van de officieren en de rest ging naar het lief en de mooie meidekens achter het front. ’t Zelfde gebeurde met de mooiste stukken vlees, de koffie, suiker, vet enz. Ik hoorde iets zeggen in ’t Frans dat de barakken moesten verwarmd worden en inderdaad, ’s anderendaags waren er kolen beschikbaar!

“Mag ik nog iets zeggen, Sire?”, hoorde ik mezelf zeggen en de kop van onze Waalse kapitein sloeg rood uit. Na de toestemming van Sire begon ik mijn verbittering uit te spuwen over de toestanden in het leger en in de kompanie. We zijn in totaal met 117 man, waaronder 13 Walen. De officieren zijn Walen, de dokter is een Waal, alles geschiedt hier in een vreemde taal die de 100 Vlamingen niet verstaan. We worden bevolen, gestraft en de dood ingezonden in een vreemde taal. Ik sprak zo verder over straffen, over krijgsraden enz. Toen ik uitgesproken was, zei de koning: “We zullen dat onderzoeken, brankardier, er komt verandering”. Tot verstomming en misschien tot verontwaardiging van zijn gevolg reikte hij mij de hand en verliet met zijn stafofficieren, de kapitein en fourrier de barak. En wil ik u nu vertellen wat het gevolg was van mijn stoutmoedigheid?

Vanaf de volgende dag kregen we kolen! Maar ook nog dit geschenk voor mij: ik moest bij de kapitein komen, deze kafferde me uit en strafte me met 8 dagen gevang (politiekamer) omdat ik dingen aangeklaagd had en dit niet gedaan had ‘par la voie hiérarchique’ volgens het militair reglement. Hij schold me uit voor rotte vis, voor oproerkraaier en verspreider van geheime druksels en vlugschriften. Hij beweerde dat ik meer te zeggen had en rapper gehoorzaamd werd aan en door de soldaten zelf dan hijzelf. Ik verweerde me koppig in mijn beste Normaalschoolfrans en moest bij generaal Drubbel op rapport komen. Deze Gentenaar, bevelhebber van de 2de legerafdeling ondervroeg me, over alles wat ik wist over de wantoestanden in het leger. Het kwam tot een hoogoplopende woordenwisseling en ’t besluit was: ‘Ge zijt een gevaar voor ’t leger, ge zijt de schuld dat de frontsoldaten morren en betogen, ge ondermijnt de legermoraal en predikt opstand!” En dreigend in het Frans snauwde hij het gesprek af met: “Vous êtes un sale individu, je vous trouverai!”

Ik kon gaan en werd onder bewaking overgeplaatst naar ’t veldhospitaal der 2de legerafdeling. Ik kreeg een Brussels korporaal als bewaker. Ik had tot de koning gesproken!”

Joost Vandommele is kernlid van Vlinks