Tom Garcia van Vlinks staat stil bij de godsdienstvrijheid zoals we die vandaag kennen en pleit ervoor om religie te beperken tot de persoonlijke levenssfeer.

Er gaat geen dag voorbij of er laait wel ergens een religieus getinte discussie op. In de meeste gevallen gaat het om de islam, maar dat is maar een modegril. Want vele fervente ‘tegenstanders’ van de islam, zullen even fervent joodse gelovigen verdedigen als die hun religieuze richtlijnen doordrukken. Of ze nemen het vol overtuiging op voor onze ‘christelijke cultuur’. Mocht met andere woorden morgen de islam van het podium gestoten worden, ligt er al een flinke basis klaar om zich naar het woord van alweer een andere god of profeet te schikken.

Voor alle duidelijkheid: het probleem is niet dat religie bestaat. Of dat ze beleden wordt. Ongetwijfeld vinden veel mensen er een of andere vorm van troost of kracht in. En dat is iedereen meer dan gegund. Het probleem is dat religie te zeer verweven is met onze samenleving, hoe seculier we ook mogen beweren dat die is en hoe officieel de scheiding van kerk en staat ook moge zijn. Sterker nog, religie zit gebeiteld in onze grondwet en als fundamenteel recht in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het bloederige spoor dat duizenden jaren religie doorheen onze geschiedenis getrokken heeft, maakt dat we zelfs na een doorgedreven secularisering zeer beducht zijn om mensen op basis van religie te benadelen of te discrimeren.

Religieus privilege

Religie heeft een zo bevoorrechte plaats in onze samenleving dat zelfs vrijzinnigen en liberalen oogluikend toestaan dat het onze seculiere wetten, regels en afspraken beïnvloedt of zelfs tenietdoet. Neem nu de recente boerkini-hetze over de zwembaden van Gent en Merelbeke. Sinds jaar en dag hanteren beide zwembaden, zoals overigens vele andere, specifieke richtlijnen voor de zwemkledij. De reglementen geven heel precies aan welke zwempakken toegelaten zijn en sommen bij wijze van voorbeeld ook een aantal kledingstukken op die niet toegelaten zijn. Het doel van die reglementen is dat iedereen op een veilige, hygiënische en comfortabele manier van het zwemmen kan genieten. De regels zijn dan ook voor iedereen gelijk, geen enkele groep wordt geviseerd of geprivilegieerd.

Na een klacht van twee moslima’s heeft de rechtbank van eerste aanleg beslist dat veiligheid en hygiëne geen valabele redenen zijn om boerkini’s te weigeren, en dat zo’n weigering bovendien discriminatie is op basis van godsdienst. Het gaat er dus niet om dat je moet kunnen dragen wat je wil als je gaat zwemmen, want losse shorts, t-shirts en al het andere dat opgesomd wordt, komen niet ter sprake. Het gaat enkel om de boerkini. Die wordt uit de lijst geselecteerd en moet toegelaten worden op basis van de godsdienstvrijheid. Dat is de invloed van religie op onze maatschappij.

Artikel 9

De godsdienstvrijheid zit verankerd in Artikel 9 van het EVRM. Dat stelt duidelijk dat iedereen het recht heeft om zijn geloof te belijden waar, hoe en wanneer hij wil. Maar datzelfde artikel stelt ook dat niemand kan gedwongen worden om deel te nemen aan die belijdenis van godsdienst door anderen en dat die godsdienstvrijheid enkel geldt zolang de openbare orde niet in het gedrang komt.

Die godsdienstvrijheid is ooit in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat niemand nog vervolgd, gevangen, gefolterd of vermoord wordt omwille van zijn of haar religieuze overtuiging. Ze dient dus niet om privileges te verkrijgen en zo macht te verwerven over de publieke ruimte. Als je nu ziet hoe vaak religieuze kwesties tot discussies leiden en hoe hoog de emoties kunnen oplaaien, zou het zélfs volgens het EVRM dus volkomen te rechtvaardigen zijn dat religie volledig uit die publieke ruimte geband wordt en beperkt wordt tot de persoonlijke levenssfeer.

Maar het hoeft niet eens zo radicaal te zijn. Het volstaat al om religie van haar voorrangsbehandeling af te helpen. Waarom zou religie immers meer rechten hebben dan een politieke overtuiging? Of zelfs maar dan een voorliefde voor één of andere sportclub of muzikale artiest? Een gelijke benadering zou geen belemmering betekenen van het belijden of uitoefenen van je godsdienstige overtuiging. Niemand verbiedt immers voetbalfans zich goed uit te leven als hun favoriete ploeg speelt, of om hun huis vol te hangen met de clubkleuren. Niemand verbiedt hen zelfs om met sjaals, petjes of shirts rond te lopen. Alleen, als de politie ingrijpt wanneer ze het te gortig maken of wanneer de baas het dragen van die petjes en sjaals niet toelaat, kunnen ze zich niet beroepen op de liefde voor hun ploeg of het reglement van de supportersvereniging om alsnog hun zin door te drijven.

Hetzelfde zou moeten gelden voor religie. Privé doen mensen wat ze willen en het belijden en beoefenen van hun godsdienst is compleet vrij, maar altijd ondergeschikt aan de regels en wetten die de openbare orde en de vrijheden van àlle inwoners moeten beschermen. Net zo min als het reglement van de supportersvereniging kunnen godsdienstige richtlijnen voorrang krijgen op richtlijnen die zonder onderscheid voor iedereen gelden. Religieuze voorschriften kunnen geen voorrang hebben op regels en wetten die het algemeen belang voor ogen hebben.


Het feit dat het gelijktrekken van religie met sportliefhebberij of muzikale idolatrie wellicht overdreven of ridiculiserend bevonden zal worden, toont aan hoe diepgeworteld de privilegepositie van religie is.

Contextuele regels

Wat betekent dit voor hete hangijzers als de hoofddoek of de boerkini? Wel, als we religieuze voorschriften echt gelijk maken aan seculiere regels, zoals die gelden voor bijvoorbeeld politieke of sportieve overtuigingen dan betekent dat dat iedereen vrij is om zijn of haar overtuiging kenbaar te maken en te ‘belijden’ zolang de openbare orde niet in het gedrang komt en de contextuele regels gerespecteerd worden. Dus als op een bepaalde plek of in een bepaalde professionele omgeving het dragen van een voetbalshirt, een punkkapsel of een hoofddoek niet toegelaten zijn, dan kan geen woord van god, clubvoorzitter of rockidool daar verandering in brengen.

Het feit dat het gelijktrekken van religie met sportliefhebberij of muzikale idolatrie wellicht overdreven of ridiculiserend bevonden zal worden, toont aan hoe diepgeworteld die privilegepositie van religie is. En het is net die overtuiging dat religie ‘specialer’ is, fundamenteler ook, dat ze onlosmakelijk deel zou zijn van ons mens-zijn, het is die overtuiging die maakt dat religie de neiging heeft te ontsporen. Dat de gelovers zich beter gaan wanen dan de andersgelovigen en zeker dan de niet-gelovigen en dat ze zich in extreme gevallen zelfs gaan inbeelden dat hun onzichtbare, doch almachtige god hen beveelt die anderen te bekeren, uit te stoten, te bestrijden of zelfs te vernietigen.

Op dit moment lijkt het erop dat hier binnen onze maatschappelijke context het meeste wrijvingen zijn met de islam. Maar elke religie heeft de drang en de dwang in zich om te bekeren, om greep te krijgen op de samenleving en om de maatschappij te vormen naar het woord van hun god of profeet. Daarom moet religie altijd en overal ondergeschikt zijn aan seculiere regels en wetten.

Tom Garcia is kernlid van Vlinks