Edi Clijsters van Vlinks vreest dat vijf jaar communautair stilstaan uiteindelijk zal neerkomen op achteruitgaan.

‘Stilstaan is achteruitgaan.’ Hoe vaak hebt u hem al niet gehoord, die slogan die vooral in ondernemerskringen populair is? Globalisering, competitie, innovatie… wie niet meeholt raakt gauw achterop, en zal zich dat beklagen. Een bekend refrein. Zo bekend dat een mens er niet bij stilstaat dat die waarschuwing ook op andere terreinen van leven en samenleven van toepassing zou kunnen zijn. En warempel zelfs op dat ongeëvenaarde Belgische terrein bij uitstek: het communautaire touwtrekken tussen Vlamingen en Franstaligen.

Taalwetgeving gerechtszaken: ‘Symptomatisch voor achteloosheid waarmee Vlaamse politici taalrechten laten uithollen’

Verrassend is daarbij wel dat uitgerekend de mensen die het dichtst bij het bedrijfsleven staan, die waarschuwing blijkbaar volkomen uit het oog verliezen wanneer de communautaire dynamiek -of stilstand- te berde wordt gebracht. Mensen die anders ‘vrijheid en vooruitgang’ verafgoden, maken dan een mentale bocht van 180 graden en zien slechts in een geforceerde stilstand enig heil voor het koninkrijk. Zo onder meer wijlen Paul Vanden Boeynants, die in 1966 vastberaden ‘die steriele taaltwisten’ in de koelkast stopte… tot het toestel minder dan twee jaar later in zijn gezicht ontplofte. Minder kortzichtige politici begonnen nadien aan een moeizame opeenvolging van staatshervormingen, waarvan het resultaat nu in het beste geval hooguit met een processie van Echternach kan worden vergeleken.

Dat betekent echter geenszins dat de ideologie van de stilstand zou hebben afgedaan. Integendeel: in 2014 beloofde de (toen nog) grootste Vlaamse en Belgische partij, die zich nochtans met veel toeters en bellen had geprofileerd als ‘de kracht van verandering’ dat ook zij het communautaire touwtrekken voor minstens vijf jaar achterwege zou laten omdat andere doelstellingen nu eenmaal belangrijker waren.

Ondertussen is duidelijk geworden waartoe die keuze heeft geleid: grondige hervormingen (die her en der zeker noodzakelijk zijn) geraken niet of nauwelijks gerealiseerd, de sterkste schouders krijgen nog wat spierversterkende middelen toegediend, de lasten wegen voor een groot deel van de bevolking nog wat zwaarder. Voor sociale voorzieningen is er haast geen geld, voor volgens ons overbodige gevechtsvliegtuigen is er in overvloed. Met de gevolgen van dat asociale wonderdieet voor ogen zou een mens haast vergeten (en zo hebben de bewindslieden het ook het liefst) dat op het communautaire terrein de geforceerde stilstand heel concreet achteruitgang is gaan betekenen.

Dat werd onlangs op schrijnende wijze geïllustreerd door een ‘aanpassing’ van de wetten op het taalgebruik in gerechtszaken die volgens mij te weinig aandacht kreeg in de media. Nu is die taalwetgeving voor gerechtszaken een haast iconische illustratie van het feit dat vele Vlaamse zogenaamde ‘taal-eisen’ in werkelijkheid bij uitstek sociale eisen waren. En overigens nog steeds zijn. Alleen al daarom is het veelbetekenend dat er nu duchtig aan gemorreld wordt. En dat zoiets kennelijk gebeurt met de stilzwijgende goedkeuring van de grootste regeringspartij, die zich in een recent verleden graag als Vlaamsbewust afschilderde.

Om een ingewikkeld verhaal kort (en dus onvermijdelijk ietwat ongenuanceerd) samen te vatten: tot dusver had een overtreding van de taalwetgeving in gerechtszaken ambtshalve (“d’office” zouden veel Vlamingen zeggen) tot gevolg dat een procedure nietig werd verklaard. Die duidelijke en eenvoudige regel behoort voortaan tot het verleden. De nietigverklaring kan alleen nog volgen op een uitdrukkelijke klacht, waarin de klager bovendien moet aantonen dat hij/zij door de overtreding effectief ernstige schade heeft geleden.

Om te begrijpen wat zoiets concreet zal betekenen volstaat het even te kijken naar het lot van de wetgeving op het taalgebruik in bestuurszaken, met name dan in Brussel. Daar wordt de taalwetgeving -alle pseudo-naïeve ‘hoffelijkheidsakkoorden’ ten spijt- dag-in, dag-uit en zonder de minste gêne met de voeten getreden. Ongestraft. Want op de niet-naleving van die taalwetgeving staat geen sanctie. Fransdolle gemeentebestuurders en ambtenaren doen dus gewoon hun zin. Als -àls- ze daarvoor al ter verantwoording zouden worden geroepen, kunnen ze toch niet gestraft worden. Daar hoeft echt geen tekeningetje bij.

Die straffeloosheid zal nu ook om zich heen grijpen in gerechtszaken. Natuurlijk wordt prompt gesust: wij gaan echt niet terug naar negentiende-eeuwse toestanden toen simpele Vlamingen konden veroordeeld worden zonder dat ze ook maar een jota van het hele proces hadden begrepen. Wat daarentegen nauwelijks wordt vermeld is het feit dat sinds die taalwetgeving van 1935 (en jawel: ook nu nog) Franstaligen in Vlaanderen altijd al de mogelijkheid hebben om een procedure in het Frans te eisen (voor een andere rechtbank dus) indien beide partijen dat wensen. Het gebeurt vaak, maar weinig Vlamingen weten dat. En Vlaamse partijen die ‘andere prioriteiten’ nastreven lopen daar uiteraard niet mee te koop.

Minister Koen Geens heeft toch al laten verstaan dat desnoods nog hier of daar iets kan “geremedieerd” worden. In Vlaanderen zal de overgrote meerderheid van de gerechtszaken in het Nederlands blijven verlopen. Ook in Brussel kunnen -voorlopig toch nog- Nederlandstaligen in hun eigen taal terecht. Theoretisch zouden ze (indien tenminste beide conflicterende partijen het daarover eens zijn) zelfs in Wallonië kunnen eisen om hun zaak te laten behandelen door een andere rechtbank, die dat in het Nederlands kan. Alleen is dat -uiteraard- nog nooit gebeurd.

De recente ‘aanpassing’ is dus wellicht niet zo vreselijk dramatisch. Maar ze is wel vreselijk symptomatisch. Symptomatisch voor de achteloosheid waarmee Vlaamse politici moeizaam verworven taalrechten laten uithollen. Ze is ook onthullend voor de ware prioriteiten van de grootste Vlaamse en Belgische partij, die asociale ‘sanering’ kennelijk veel belangrijker acht dan gezonde taalverhoudingen. En die dus geforceerde stilstand verordent, ook als dit leidt tot achteruitgang in een meer dan honderdjarig Vlaams emancipatieproces.

Een ietwat kritische waarnemer wordt dan verleid tot een gedachte die kennelijk ondenkbaar wordt geacht: stel u even het omgekeerde voor. Dat die grootste en zogenaamd machtige partij zou eisen dat in Brussel de taalwetgeving in bestuurszaken ook werkelijk zou worden nageleefd, bijvoorbeeld op straffe van ambtshalve nietigverklaring van alle betrokken bestuurshandelingen. Of op straffe van opschorting van de royale geldstromen vanuit Vlaanderen naar Brussel en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest (waarvoor niet eens verantwoording moet worden afgelegd).

Onbespreekbaar natuurlijk. Maar écht ondenkbaar? Zou vijf minuten politieke moed daarvoor niet volstaan? Beweerde een toen triomferend Vlaams politicus niet ooit dat “Nil Volentibus Arduum” of: dat niets onbereikbaar is voor wie het echt wil?

Edi Clijsters is kernlid van Vlinks