‘Gebouwen, objecten en tradities hebben hun rol binnen tijd en ruimte. Wat vroeger ‘waardevol’ was is het vandaag niet meer. Maar toch, erfgoed is en blijft deel van een identiteit van een regio, van gemeenschappen’, schrijft Adriaan Linters namens Vlinks.

Dat de Mona Lisa in het Parijse Louvre-museum ‘erfgoed’ is zal niemand betwisten, evenmin als de menhirs in Bretagne of de ruïnes van het Forum Romanum. Maar zijn een smerige verroeste stoommachine, een oude vervallen salonrijtuig dat verlaten op het spooremplacement in Kessel-Lo staat, de resten van ooit neergestorte Lancaster-bommenwerper, een vervallen fabriekje van cementtegels in Tisselt, een lijn petroleumpijpleidingen op Petroleum Zuid,… ook ‘erfgoed’? Of een roestige kolenwasserij in de oude steenkoolmijn van Beringen?

Voor tal van vrijwilligers, burgers en omwoners, is het antwoord alvast positief, maar of hun inspanningen nadien evenzeer door anderen (overheid, bezoekers, toeristen) geapprecieerd en bewonderd zullen worden is maar de vraag.

Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018

Door de Europese Commissie werd 2018 uitgeroepen tot Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed. Een jaar waarin behoud, waardering, herbestemming en ontsluiting van alle vormen van erfgoed centraal zou moeten staan. Waarin de burger, van jong tot oud, zou moeten betrokken worden bij dat erfgoed. Het koesteren, zich er voor inzetten. Dit is méér dan symbolisch, moet meer zijn dan ronkende verklaringen.

En precies bij de aanvang van dat Jaar blijkt dat er een slopingsvergunning afgeleverd wordt. Daarmee onderscheidt Vlaanderen zich binnen Europa op een bijzonder negatieve wijze – ook omdat in deze de stem van de burger niet gehoord wordt, zelfs niet gevraagd werd.

‘Heritage is a shifting concept’, zoals de bekende erfgoedzorger Baron Montagu of Beaulieu (oprichter van het Britse National Motor Museum en mede-oprichter van de Britse Association of Independent Museums) het ooit uitdrukte… Tot kort na de tweede wereldoorlog was ‘erfgoed’ oud, artistiek, esthetisch en werd het bewaard en beheerd door de betere en gestudeerde klassen uit de maatschappij. Het waren in hoofdzaak de relicten verbonden aan koningen, keizers, bisschoppen en prelaten – en een beetje die van de hogere burgerij.


Erfgoed kan zichzelf niet verdedigen. Het heeft verdedigers nodig

De maatschappelijke evoluties tussen het revolutionaire 1968 en het Europees Jaar van het Bouwkundig Erfgoed (1975) brachten daar verandering in. Er kwam niet alleen een ruime(re) betrokkenheid van de bevolking, ook de bepaling van het begrip ‘erfgoed’ zelf werd opengetrokken. Gewone luitjes mochten vanaf nu meespreken over wat hún erfgoed was.

Het leverde in alle hoeken en streken van Europa een opbloei van erfgoedorganisaties, Bürgerinitiativen, Preservation Societies, monumentencomités en verenigingen tot behoud van wat-dan-ook. Ook het erfgoed van de gewone man kwam voortaan aan bod – of zou moeten aan bod komen. De plaatsen waar die zich verenigde, waar hij woonde en werkte. Fabrieken en werkplaatsen, arbeiderswoningen, opslagplaatsen, stations, kanaalinfrastructuur,… werden eveneens tot ‘erfgoed’ verheven – niet altijd zonder slag of stoot.

In 1965 werd in Brussel het door Horta ontworpen Volkshuis afgebroken nog om plaats te maken voor een toren van 26 verdiepingen. Het is nog altijd een smet op ons blazoen, net zoals de afbraak van de ‘Koninklijk Stapelhuizen’ in Antwerpen in 1990, een van de eerste grote betonconstructies ter wereld. Er was protest maar dat werd niet gehoord. Zelfs het behoud van het Centraal Station in Antwerpen ging niet zonder slag of stoot, er moest jaren voor gevochten worden – ondanks het feit dat het reeds in 1975 bij koninklijk besluit wettelijk beschermd werd.

Erfgoed en traditie zijn vandaag niet altijd ‘goed’… of liggen niet goed ‘in de markt’

Gebouwen, objecten en tradities hebben hun rol binnen tijd en ruimte. Wat vroeger ‘waardevol’ was is het vandaag niet meer. Maar toch, erfgoed is en blijft deel van een identiteit van een regio, van gemeenschappen. In zijn voorwoord tot de catalogus van de tentoonstelling ‘The Museum of the Mind: Art and Memory in World Cultures’ (in het British Museum, 17 April-7 September 2003, ter gelegenheid van de 250e verjaardag van het museum) stelt de toenmalige directeur onomwonden: “For individuals, as for communities, it may be said that memory is identity. At the very least it is an essential part of it. To lose your memory is, quite literally, no longer to know who you are, and we have all witnessed the consequences both in individuals and in communities. For both, a life without memories is so diminished as hardly to count as life. All societies have therefore devised systems and structures, objects and rituals to help them remember those things that are needful if the community is to be strong – the individuals and the moments that have shaped the past, the beliefs and the habits which should determine the future. These monuments and aide-mémoire point not only to what we were, but to what we want to be”

(Er kan, zowel voor individuen, als voor gemeenschappen, gesteld worden dat geheugen de identiteit uitmaakt. Het is op zijn minst een essentieel onderdeel ervan. Je geheugen kwijt te raken, betekent, vrij letterlijk, dat je niet meer weet wie je bent. Daarvan hebben we allemaal wel al eens de gevolgen van meegemaakt, zowel bij individuen als in gemeenschappen. Voor beiden is een leven zonder herinneringen zo minderwaardig geworden, dat het nauwelijks nog als leven kan worden beschouwd. Alle samenlevingen hebben daarom systemen en structuren, objecten en rituelen bedacht om hen te helpen die dingen te onthouden die nodig zijn als de gemeenschap moet sterk staan. Het zijn de dingen en de momenten die het verleden hebben gevormd, de overtuigingen en de gewoonten die de toekomst zouden moeten bepalen. Deze monumenten en aide-mémoires verwijzen niet alleen naar wat we waren, maar naar wat we willen zijn)

Kortom, wat overblijft van vroeger bepaalt ons zijn, vandaag en morgen. Een stad en een regio zonder sporen van dat verleden heeft geen identiteit, kan zich in een zijn omgeving niet profileren. Kan aan haar bewoners niet datgene bieden dat tot samenhorigheid leidt. De Limburgse mijnregio kan zich in Vlaanderen, België, Europa maar profileren dank zij het feit dat in het begin van de jaren 1990 door de toenmalige Vlaamse regering een vooruitstrevende beschermingspolitiek gevoerd werd.

Er is ‘aanvaard’ erfgoed, en er is (nog) ‘niet aanvaard’ erfgoed

Kerken, kloosters en ‘grote’ architectuur zijn vandaag quasi onaantastbaar. Stel je voor dat iemand zou suggereren om het schip van Sint-Baafs-kathedraal te slopen, de zijbeuken te behouden en de binnenkant te vervangen door ‘iets anders’. Het kot zou te klein zijn. En toch is het precies hetzelfde wat voor de kolenwasserij van Beringen voorgesteld wordt. Na de sloop van kolenwasserij 1 wordt het totale volume van de kolenwasserij bijna tot de helft gereduceerd en wanneer later ook zoals gepland kolenwasserij 3 tegen de grond gaat, blijft er nog 38% van het bouwvolume van de kolenwasserij over. Of verdwijnt bijna een kwart van het totale bouwvolume van het beschermde mijnterrein.

In Beringen en omstreken, in heel de Limburgse mijnstreek, wordt dat erfgoed steeds sterker aangevoeld als het gemeenschappelijk element binnen de diversiteit van mensen, culturen. De resterende gebouwen van de mijnzetels bepalen het beeld dat de bewoners van hun streek en van zichzelf hebben. Vandaar ook de sterke, vaak emotionele reacties, die bovenkwamen toen bleek dat een groot stuk van de dominerende kolenwasserij zou gesloopt worden en vervangen door ‘iets’ waarvan men nog niet weet wàt…

En de verontwaardiging werd nog groter toen bleek dat de rol van openbaar onderzoek, adviezen en erfgoed-adviescommissies opzij geschoven worden. De beslissingen lijken eerder in achterkamertjes en informele vergaderingen genomen, waarbij de druk van de tegenstanders van behoud politiek en financieel sterker door weegt dan het belang van sedert 1994 wettelijk beschermd erfgoed.

Het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed mag geen hoogmis zijn, die vooraan door hogepriesters en prelaten opgevoerd wordt, waarna het gewone volk – desnoods via het dorpscafé – naar huis mag trekken, liefst zonder dat er iets verandert.

Vlaanderen verwijst vaak naar Catalonië. In het ‘Estatut’ van Catalonië (2006), dat ooit hun grondwet had moeten worden maar door Spaans Hooggerechtshof vernietigd werd in 2010, lezen we onder art. 22§2: ‘Totes les persones denen al deure de respectar i preservar el patrimoni cultural’ (Iedereen heeft de plicht het cultureel erfgoed te respecteren en te bewaren) Iedereen. Dat betekent overheid én burger. De Vlaamse overheid faalt vandaag in heel de discussie rond de kolenwasserij van Beringen.

Adriaan Linters is deskundige industrieel erfgoed – voorzitter Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie vzw en algemeen-secretaris van EFAITH, European Federation of Associations of Industrial and Technical Heritage en gastschrijver voor Vlinks.