De Catalaanse onafhankelijkheidsstrijd verloopt niet zonder slag of stoot. Maar wist u dat ook Vlaanderen zich al eens eenzijdig onafhankelijk verklaarde? Joost Vandommele van Vlinks duikelt in de geschiedenis.

De Catalanen zijn naar de stembus geweest en hebben de kaarten bijzonder moeilijk gelegd. De tegenstanders van onafhankelijkheid hebben zich verzameld achter de Ciudadanos, de partij van de charismatische jonge politica Inès Arrimadas. De partijen van de ‘independentisten’ kunnen samen ook nog altijd op de steun van een meerderheid rekenen en dus een regionale regering vormen. Maar dan rijst de vraag wat de Spaanse regering zal doen. Die heeft immers al zo goed als onomwonden laten weten dat ze een overwinning van separatisten niet zal aanvaarden. Het zal niet de eerste keer zijn dat de Catalanen door de centralistische elite in het gareel worden gedwongen. Maar wist u dat ook Vlaanderen zich al eens eenzijdig onafhankelijk verklaarde?


Hoe Vlaanderen ook al eens de onafhankelijkheid uitriep

Dat gebeurde op 22 december 1917. Inderdaad, precies 100 jaar geleden riep de Raad van Vlaanderen ‘Vlaanderens zelfstandigheid’ uit, populair gezegd ‘de onafhankelijkheid’. Over de omstandigheden waarin dit gebeurde, kan veel gezegd worden. Maar zoals men een jaar voordien al de Gentse universiteit vernederlandste, kan deze gebeurtenis misschien eveneens ooit in zuiver democratische omstandigheden worden overgedaan. We zien echter door de recente gebeurtenissen in Catalonië dat het uitroepen van de onafhankelijkheid verre van eenvoudig is. Zelfs als je, zoals op 7 december jongsleden, op 1200 km van je thuisbasis meer volk kan mobiliseren dan de drie Belgische vakbonden samen.

Even 22 december 1917 contextualiseren. Anders dan de meeste historici ons willen doen geloven was het activisme géén product van de Duitse Flamenpolitik. Beide zijn onafhankelijk van mekaar gegroeid maar vonden mekaar vrij snel na het aantreden van Moritz von Bissing als gouverneur-generaal van België op 27 november 1914.

Het activisme was een natuurlijke voortzetting van het groeiende radicalisme in de Vlaamse beweging die rond 1895 begon met het cultuurflamingantisme van August Vermeylen, de radicalisering en verbreding van de Vlaamse strijd rond het mobilisatiethema van de vernederlandsing van de Gentse universiteit en niet in het minst de positieve weeromstuit van de oproep tot administratieve scheiding van België door Jules Destrée in 1912. Bovendien waren de Vlamingen ‘vreemdelingen in eigen land’ en precies daarom eigenlijk ‘weinig vaderlandsliefde verschuldigd aan België’ (dixit Maurits Coppieters). De realiteit aan het IJzerfront verbreedde de Vlaamse beweging naar het bredere lagen van de Vlaamse bevolking. De activisten waren -buiten enkelingen- bij de aanvang van de oorlog én flamingant én belgicist geweest. Zij ontnuchterden toen het officiële België geen beloftes wou doen voor de Vlamingen ná de oorlog. Integendeel, de Fransgezinde elites hoopten op een restauratie van het ongecontesteerde Franstalige burgerlijke België.

Duizendmaal bedrogen

Als je juridisch niet als staat bestaat, veegt men de vloer met je aan… Kijk bijvoorbeeld naar de Koerden. Ze waren zeker nuttig als kanonnenvlees, maar nu IS verslagen is, vliegen ze weer in de mand.

De activisten raakten de loze beloften, de slechte toepassing van de taalwetten en dergelijke meer, beu en wilden échte stappen vooruitzetten in hun Vlaams programma. Zij vonden dat het rechtsherstel voor Vlaanderen ‘desnoods van de duivel’, dus ook van Duitsland, mocht komen. Zij wilden geen gunst maar recht! In februari 1917 was de Raad van Vlaanderen ontstaan als een soort verzamelorgaan van allerlei activisten. Hij zou uitgroeien tot een Vlaams rompparlement. Volgens de meestal vrijzinnige en anti-burgerlijke activisten waren de Vlamingen ‘nog niet rijp om zichzelf te bevrijden’. Een elite moest dus het voortouw nemen. Zij meenden zich trouwens iets talrijker gesteund dan de Belgische revolutionairen van 1830.

Aanvankelijk ging de Duitse bezetter nog een eind mee om de Vlamingen aan hun kant te halen. Zo voerden de Duitsers op 21 maart 1917 de door de activisten gewenste zogenaamde ‘bestuurlijke scheiding van België’ uit, waarbij de ministeries werden gesplitst.

Een paar maanden later -in de zomer van 1917- haalden de Duitsers echter de voet van het gaspedaal inzake Flamenpolitik. Die werd voor hen meer en meer een sta-in-de-weg voor een ‘vrede door vergelijk’. De Duitsers zetten de activisten meer en meer onder druk om zich te bewijzen in legale verkiezingen. Onder deze druk en een aantal interne spanningen namen de activisten nog maar eens de vlucht vooruit. Ze wilden de politieke zelfstandigheid of onafhankelijkheid binnenhalen vóór een volgens hen in-de-lucht-hangende ‘compromisvrede’ zou uitgeroepen worden, waarin België meer dan waarschijnlijk als onderpand (Faustpand) of troefkaart zou dienen. Verwaltungschef Alexander Schaible zou de activisten echter meteen terugfluiten en duidelijk inpeperen dat ‘uw politiek slechts een onderdeel is van onze wereldpolitiek is’.

In die specifieke context voltrokken zich de gebeurtenissen van 22 december 1917. Eigenlijk hoopte men de Duitsers, en bij slechte afloop van het activistisch avontuur later ook België, voor een fait accompli te zetten. Het uitroepen van Vlaanderens zelfstandigheid veroorzaakte niet alleen bij de Duitsers flink wat deining. De Belgische regering in Le Havre, die schrik had van een apart Vlaams vredesverdrag met Duitsland en van een eventuele aparte Vlaamse afvaardiging op een vredesconferentie, reageerde verontwaardigd: ‘Les activistes ont déclarés en Belgique occupée l’indépendance de la Flandre et y ont constitué des ministres!’. In februari 1918 moesten ze zelfs de geallieerden geruststellen inzake de mogelijke internationale consequenties en aan het front werden allerlei maatregelen getroffen om te zorgen dat de ‘Vlaamse revolutie’ zo weinig mogelijk bekend zou raken.

Daensistisch


Veelbetekenend spraken de activisten toen niet van de ‘onafhankelijkheid’ van Vlaanderen maar van de ‘politieke scheiding’ of ‘politieke zelfstandigheid’.

De activisten worden vandaag in een slecht daglicht geplaatst door associatie met het Duitse militarisme. Hun sociaal-economische standpunten waren nochtans zeker niet reactionair maar eerder daensistisch te noemen. Hun plannen voor de pas geëxploiteerde Kempische steenkolen, bijvoorbeeld, waren behoorlijk socialistisch te noemen: 1) Uitroeping van den Staat Vlaanderen. 2) Naasting door deze Staat van de kolenmijnen die, geheel of grotendeels, een vreemd bezit uitmaken (Beringen; Limbourg-Meuse; Winterslag). Dit kan geschieden door uitbetaling der beleende kapitalen, vermits deze nog geen winsten hebben kunnen afwerpen. 3) Herziening van de mijnwetten van1810, 1837 en 1911 en invoering van het princiep der publieke dominaliteit in de vernieuwde wet 4) Voorbehouding door de Staat van al de nog niet vergunde kolenvelden. 5) Uitbetaling door de Staat van een of meer mijnen voor zijn eigen verbruik. 6) Oprichting van al de onderwijsgestichten die een rationele ontginning van het Kempisch kolenbekken kunnen bevorderen. 7) Aanleggen van tuinsteden in de nabijheid van de koolmijnen. 8) Verbetering van de loop der Schelde en vergroting der haven te Antwerpen. 9) Invoering van voorkeurtarieven op het spoor en vermindering der vaartrechten voor de Kempische kolen. 10) Vruchtbaarmaking van de Kempische heidegronden. En ten laatste, in een verdere toekomst, stichting ener Vlaamse handelsvloot. (uit: A L Faingnaert, Wat het Vlaamsche Volk moet weten aangaande het Kempische Kolenbekken, 1917). Daar kunnen de huidige Vlaamsnationale partijen een puntje aan zuigen…

Veelbetekenend spraken de activisten toen niet van de ‘onafhankelijkheid’ van Vlaanderen maar van de ‘politieke scheiding’ of ‘politieke zelfstandigheid’. Om de Duitsers niet nog meer kopschuw te maken en wellicht omdat ze de reactie van de officiële Belgische krachten vreesden, die nog over veel praktische macht beschikten (zo werd Borms op 8 januari 1918 door het Belgische gerecht opgepakt), kwam de activistische dagbladpers pas rond 20 januari 1918 met de uitroeping van Vlaanderens zelfstandigheid voor de dag.

Romantiek

Toen in de negentiger jaren de VVB de Vlaamse onafhankelijkheid op de agenda zette, was dat een goede zaak. Het is en blijft het uiteindelijke ideaal voor de brede Vlaamse beweging. Men kan wat meewarig reageren op ‘onafhankelijkheid’ maar als je géén staat hebt, besta je niet. Als je juridisch niet als staat bestaat, veegt men de vloer met je aan… Kijk bijvoorbeeld naar de Koerden. Ze waren zeker nuttig als kanonnenvlees, maar nu IS verslagen is, vliegen ze weer in de mand.

‘Onafhankelijkheid’, ‘autonomie’, ‘zelfbestuur’ mogen echter geen romantische idealen worden en al zeker niet een doel op zich. Het moet blijven gaan om de ontvoogding en de versterking van de Vlaamse burger. Laat ons intussen dus vooral de bestaande autonomie zoveel mogelijk positief invullen en zo het Vlaamse volk winnen voor de gedachte van een eventuele volledige onafhankelijkheid. Laten we het op sociaal, op economisch, op onderwijs, op milieuvlak enzovoort beter doen dan anderen. Bovendien moeten we vanuit onze herinnering en ervaring van achterstelling en discriminatie, expertise bieden aan anderen. Méér positief bewustzijn, wég van het belgicistisch revisionisme; dáár mankeert het vandaag aan. Laten we van ons relatief autonoom Vlaanderen van vandaag -dat soms verdacht veel op het oude België lijkt- een Vlaamse democratie maken, hechter en volkser dan de Belgische, waar blank en zwart, links en rechts, Vlaming of niet, terecht trots op kunnen zijn. De échte Vlaamse onafhankelijkheid zal dan logischerwijze volgen.

Joost Vandommele is kernlid van Vlinks