‘Als ze gelijke kansen wil bevorderen, moet een verantwoordelijke overheid er mee voor zorgen dat de taalkloof tussen autochtone en allochtone leerlingen reeds in het prilste onderwijs snel wordt gedicht’, schrijft Edi Clijsters van Vlinks.

Media en politiek wisten niet waar ze het hadden. In een concentratieschool hadden de leerlingen van de hoogste twee klassen beslist om voortaan ook onder elkaar alleen nog de landstaal te gebruiken. Niet alleen in de klas maar ook daarbuiten. Uit alle hoeken van het land stroomden politiek-correcte lieden toe die zich afvroegen of die leerlingen niet gemanipuleerd waren of onder druk gezet. ‘Welneen’, herhaalden ze telkens opnieuw, met een mengeling van ergernis en hilariteit over de bezorgde blikken van mensen die ze anders nooit te zien kregen. ‘We hebben gewoon ingezien dat we zonder behoorlijke taalkennis geen behoorlijke baan kunnen vastkrijgen. Bovendien is dat de enige taal die we allemaal tenminste een beetje kennen; die moeten we dus gebruiken als we niet elk voor zich in het eigen taalhoekje willen blijven hangen maar ons samen laten gelden.’

Voor een flink deel van het onderwijsveld klinkt dit alles misschien als een sprookje. Maar het is echt gebeurd. In 2006, in de Herbert-Hoover Oberschule, in het Berlijnse stadsdeel Wedding. Der Spiegel berichtte toen over deze school.


‘Ook een goedbedoelde tegemoetkoming kan zijn doel voorbij schieten’

Dat is ver van hier, blijkbaar. In tijd, in ruimte en vooral in mentaliteit. Vooraleer daarop in te gaan, toch nog even een andere reis door tijd en ruimte: naar het Vlaanderen van eind negentiende eeuw. Toen was het de leerlingen in de meeste secundaire scholen verboden iets anders dan Frans te spreken, zelfs op de speelplaats. Wie het toch deed kreeg straf, tenzij hij (van ‘zij’ was toen nog weinig sprake) snel iemand anders verklikte die dezelfde euveldaad had begaan. Anno 2017 zou zo’n aanpak onmiddellijk en terecht worden aangeklaagd door de kinderrechtencommissaris. Maar honderdtwintig jaar geleden werd hij beschouwd als ‘streng maar rechtvaardig’ want ‘ontegensprekelijk in het hoger belang van de leerlingen zelf’. Als je later iets wou betekenen in de maatschappij moest je immers perfect Frans kennen, en dat zou je nooit volledig beheersen als je op school de taal kon blijven gebruiken die je thuis sprak. Kortom: een goedbedoelde dwangmaatregel.

Tot zover twee extreme voorbeelden van de manier waarop taalgebruik op school een (vaak doorslaggevend) element kan zijn in de sociaal en cultureel emancipatorische rol die onderwijs toch zou moeten spelen. Je kan hierbij ongetwijfeld stevige filosofische bomen opzetten over ‘het rijk van de vrijheid’ tegenover ‘het rijk van de noodzaak’. Of over de mate waarin het ‘bewaren van eigenheid’ de integratie in een ander soort samenleving kan bevorderen dan wel verhinderen. Uiteindelijk zal toch blijken dat de feiten het beleid mee beïnvloeden, en het beleid ook de feiten.

Uiteenlopende meningen

Dat over die wisselwerking uiteenlopende meningen bestaan is niet meer dan normaal. Zoals het ook normaal is dat uiteenlopende meningen bestaan over wat een verantwoordelijke overheid zich tot doel moet of kan stellen. Niet meer dan normaal is in elk geval ook -of zou toch moeten zijn- dat bij dit alles het belang van de leerlingen moet vooropstaan. En liefst ook enig respect voor feiten en voor de concrete ervaringen van betrokken leerlingen én leerkrachten. Ook daar lopen de meningen uiteen.

Een van die feiten die sommige bewindvoerders niet graag onder ogen zien is dat binnen enkele jaren (voor zo ver dat al niet het geval is) in Vlaanderens grootste steden zowat de helft van de leerlingen in het basisonderwijs van allochtone afkomst zal zijn. Lees: niet-Nederlandstalig van huis uit. In het voltijds secundair onderwijs spraken twee jaar geleden in de centrumsteden al 15 leerlingen op honderd thuis een andere taal dan Nederlands; in het deeltijds beroepsonderwijs liep dat percentage op tot 25%.

Als ze gelijke kansen wil bevorderen, moet een verantwoordelijke overheid er mee voor zorgen dat de taalkloof tussen autochtone en allochtone leerlingen reeds in het prilste onderwijs snel wordt gedicht.

Je kan natuurlijk de ogen sluiten voor dat verschijnsel en je verschuilen achter de ultra-liberale theorie dat iedereen maar voor zichzelf moet zorgen als hij of zij wil vooruitkomen in het leven. Een overheid die zoiets doet werkt daarmee wetens en willens het achterop raken en het ‘watervalsysteem’ op school in de hand, vervolgens de geringere kansen op de arbeidsmarkt.

Als ze daarentegen gelijke kansen wil bevorderen en daardoor alvast ten dele toekomstige problemen voorkomen, moet een verantwoordelijke overheid er mee voor zorgen dat de taalkloof tussen autochtone en allochtone leerlingen reeds in het prilste onderwijs snel wordt gedicht. Onvermijdelijk duikt dan de vraag op hoeveel dwang daarbij te pas kan of mag komen, of hoeveel tegemoetkoming.

En dan gaat het niet meer alleen om feiten en beleidskeuzes maar evenzeer -en misschien zelfs op de eerste plaats- om de concrete ervaring van schooldirecties, leerkrachten en, jawel, van de leerlingen zelf. Zij vertellen niet allemaal hetzelfde verhaal.

Dat dwang- en verbodsmaatregelen doorgaans een tegengesteld effect hebben wanneer ze domweg autoritair worden opgelegd en niet behoorlijk met argumenten onderbouwd… dat weet toch iedereen die ooit school liep. Iedereen dus. Dat je een heel eind verder komt door vertrouwen te wekken en dan in overleg met alle betrokkenen uit te praten waarom deze of gene ‘vrijheidsbeperking’ wél verantwoord is, weet eigenlijk ook iedereen die niet in de ivoren toren van het eigen grote gelijk zit opgesloten.


Het zou onverstandig zijn leerlingen te verbieden buiten de klas onder elkaar hun eigen taal te spreken. Het zou even onverstandig zijn af te zien van de eis dat in de klas alleen de taal wordt gehanteerd van het land waar zij willen wonen en later ook werk moeten vinden.

Maar net zoals goedbedoelde dwang zijn doel kan voorbijschieten, kan ook goedbedoelde tegemoetkoming dat. Het zou onverstandig zijn leerlingen te verbieden buiten de klas onder elkaar hun eigen taal te spreken. Het zou even onverstandig zijn af te zien van de eis dat in de klas alleen de taal wordt gehanteerd van het land waar zij willen wonen en later ook werk moeten vinden. Je bewijst leerlingen -om het even of die nu van allochtone of autochtone afkomst zijn- hoegenaamd geen dienst door nauwelijks nog eisen te stellen, door ‘tegemoetkomingen’ die hun toekomstkansen eerder hypothekeren dan verstevigen. Je kan die kansen wel verstevigen door aan het eisenpakket ook een passend begeleidingspakket te verbinden en daarbij allesbehalve krenterig te zijn met mensen en middelen.

Helemaal bedenkelijk wordt het wanneer oppervlakkige tegemoetkomingen de slechtst denkbare vorm van verzuiling weer zouden doen opleven. De financiering van het onderwijs is in dit land nu eenmaal wat ze is, en ze is niet volmaakt. Aangezien ze haast uitsluitend rekening houdt met kwantiteit (van de instroom) en nauwelijks met kwaliteit (van de afgeleverde resultaten) dreigt het gevaar dat scholen -of onderwijsnetten- leerlingen van elkaar proberen af te snoepen door de opgelegde eisen te verlagen… want voor het verhogen van de afgeleverde kwaliteit worden ze niét beloond.

Als een school dan haar aantrekkelijkheid voor allochtone jongeren wil verhogen door het hun te gemakkelijk te maken, dreigt ze precies verdere gettovorming in de hand te werken. Terwijl men toch mag aannemen dat dàt zeker niet de bedoeling was. Misschien toch eens polsen wat leerlingen of hun ouders daar zelf over denken?

Edi Clijsters is kernlid van Vlinks