‘De belastingontduiking of -ontwijking door de rijkste tien procent van de bevolking is het nationale schandaal bij uitstek. De Samusocial-saga verzinkt daarbij in het niet’, schrijft Edi Clijsters van Vlinks.

Hebt u ook onlangs een gat in de lucht gesprongen? Op die heerlijk-zomerse 27ste juli om precies te zijn? Neen? Dan was u waarschijnlijk niet in het land. Want hier kon u aan het ophefmakende goede nieuws gewoon niet ontsnappen: op alle zenders en alle kanalen werd u op het hart gedrukt dat er reden was tot juichen. Vanaf die dag werkte u immers ‘voor u zelf, en niet meer voor de staat’. ‘Tax freedom day’, jochei en hoezee! Op diverse toonaarden en in diverse refreinen werd die ene boodschap er in gehamerd: een mens werkt in dit land meer dan de helft van het jaar voor de overheid. De onderliggende boodschap liet evenmin aan duidelijkheid te wensen over: dat is veel te veel.

Nu ja, die zogenaamde ‘tax freedom day’ heeft iets van het monster van Loch Ness. Het is nu eenmaal komkommertijd, en dan kan de onwaarschijnlijkste flauwekul tot nieuws worden gebombardeerd. Maar hier is toch meer aan de hand. Want eigenaardig genoeg is op al diezelfde zenders en kanalen de eerste januari nog nooit bejubeld als de eerste van 365 -en om de vier jaar zelfs 366- ‘tax profit days’. Terwijl toch overduidelijk is dat vanaf de eerste dag van het jaar iedereen ook profiteert van dat belastinggeld. Iedereen, jawel. Ook de mensen (of ondernemingen) die weinig of geen belasting betalen, zelfs al zijn ze allesbehalve noodlijdend…


‘De zogenaamde ‘tax freedom day’ heeft iets van het monster van Loch Ness’

 

Kortom: overduidelijk is ook dat die jaarlijks terugkerende triomfkreten veel méér zijn dan komkommernieuws. Als je er ook maar even over nadenkt is dit geblaat niet meer of minder dan diepdonkerblauwe hetze. En je hoeft echt geen fiscaal of macro-economisch expert te zijn om tegenover die ultra-liberale propaganda enkele kritische bedenkingen te plaatsen.

Het weerwerk begint met een evidentie: de talloze prestaties die in ruil voor al dat geld worden geleverd. Zelfs in tijden waarin om de haverklap voorbeelden aan het licht worden gebracht van ‘oneigenlijk’ of ronduit frauduleus gebruik van overheidsgeld, mag een mens toch niet uit het oog verliezen dat die overheid -zowel op nationaal niveau als op dat van gewesten, gemeenschappen en gemeenten- ook opdraait voor een heleboel voorzieningen.

U weet wel: onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur voor weg-, water- en luchtverkeer, veiligheid, enzovoort. Zonder de subsidiestroom te vergeten die naar de sociale en de culturele sector vloeit, maar evenzeer naar kleine, grote en zelfs multinationale ondernemingen.

Meer nog: diezelfde overheid die vaak zo slordig omspringt met het geld van de belastingbetalende burgers, financiert ook een instelling die haar daarvoor jaarlijks op de vingers tikt. Niet zonder reden kregen de verslagen van het Rekenhof jaren geleden al de naam ‘blunderboek’.

Openbare diensten privatiseren

Ongetwijfeld viel en valt op een aantal openbare voorzieningen wel kritiek te leveren. Dat verklaart overigens waarom in de voorbije kwarteeuw steeds meer openbare diensten werden geprivatiseerd zonder dat daar overdonderend protest tegen kwam. De feitelijke monopolie-situatie van enkele openbare diensten bleek àl te vaak -in de ene sector al wat meer dan in de andere- funest voor de kwaliteit van de dienstverlening. Dus zagen de herauten van de ongebreidelde vrijemarkteconomie hun kans schoon om -met de zeer actieve steun van opper-heraut EU- de privatisering te eisen van allerlei voorheen openbare diensten. Dat die privatisering (en de achterliggende winst-logica) hoegenaamd niet altijd een verbetering betekende voor de dienstverlening hebben ondertussen steeds meer gebruikers aan den lijve ondervonden. En dat is nog zacht uitgedrukt.

Er valt echter een nog veel ergerlijker kwaal te signaleren. Het vele overheidsgeld vloeit namelijk -nogmaals zeer zacht uitgedrukt- niet altijd naar de plaatsen waar de grootste noden bestaan. Moeten multinationale en andere handigaards miljarden cadeau krijgen, terwijl pietepeuterig wordt beknibbeld op gezondheids- en sociale uitgaven, of zelfs -godbetert- op onderwijs? Het verhaal van de sterkste schouders en de zwaarste lasten is zo oud als de st(r)aat, maar de kwaal is kennelijk onuitroeibaar.

Hoewel. Theoretisch zijn het in een democratie de vertegenwoordigers van het soevereine volk die bepalen waaraan belastinggeld wordt besteed, en hoeveel. Theoretisch kan de belastingbetalende burger dus (ocharme om de vijf jaar) uitmaken of hij (m/v) zijn geld liever besteed ziet aan gevechtsvliegtuigen of aan behoorlijke zorg voor ouderen en gehandicapten, aan nog meer beton of aan beter onderwijs en ga zo maar door. Theoretisch. In de praktijk zijn coalities en compromissen onvermijdelijk en is de particratie als de dood voor tussentijdse verkiezingen, imperatieve mandaten of volksraadplegingen. Zeg maar: voor reële medezeggenschap door de burgers.

Maar dat is niet eens het ergste. De meest afdoende ontmaskering van het ‘tax free day’-geleuter is de wraakroepende wanverhouding tussen de hoger vermelde sterke schouders en zware lasten. Heel wat gerenommeerde stemmen, die in de verste verte niet kunnen verdacht worden van linkse sympathieën verkondigen al tientallen jaren- dat fiscale fraude dit land ruïneert. Niet de zogenaamde hoge lonen bedreigen ’s lands economie: die brengen juist geld in het belastinglaatje, en kunnen aan de fiscus niet ontsnappen. Neen, het gaat om de fortuinen die zonder enige gêne verdonkeremaand worden en die hun bezitters voorafgaan naar paradijselijke eilanden.

De belastingontduiking of -ontwijking door de rijkste tien procent van de bevolking is het nationale schandaal bij uitstek; de Samusocial-saga verzinkt daarbij in het niet. Alleen krijgt het ene verhaal opvallend meer aandacht dan het andere. Misschien omdat ondertussen de intellectuele huurlingen van de groot-fraudeurs al zitten uit te rekenen wanneer ‘tax freedom day’ volgend jaar valt.