Ludo Abicht van Vlinks schreef bij het afscheid van Mark Grammens (1933-2017) een persoonlijke hulde. Edi Clijsters vult zijn in memoriam kritisch aan.

Omdat mijn contact met Mark al in de tweede helft van de jaren 1940 begon wil ik kort drie momenten van deze relatie vermelden.

Zoals overal toen keken de leerlingen van het zesde middelbaar van het Xaveriuscollege met ontzag op naar de bijna volwassen grote jongens uit de hogere cyclus. Eén van hen was Mark, zoals we allemaal wisten, de zoon van Flor Grammens, de beruchte dwarsligger voor wie we in die periode brochures verstuurden over de discriminatie van de Vlamingen in wat toen nog “het land van Overmaas” heette.  In die zin was Mark een ware zoon van het prinsenvolk der Lage Landen, iemand die we nooit meer uit het oog zouden verliezen.

Wanneer de Vlaamse Linie werd opgedoekt zat ik al in Noord-Amerika, maar “De Nieuwe”, waarin ik af en toe een artikel mocht plaatsen, werd meteen dé band met het vaderland. Des te meer, omdat de teneur van zowel “De Nieuwe”  als later het “Tijdschrift voor Diplomatie” bijna naadloos aansloot bij de internationale contestatie, waarvan ik een overtuigd aanhanger was.  Complexloos progressief, open, internationaal en tegelijkertijd even complexloos flamingant.  Ik weet dat Mark voor een groot stuk verantwoordelijk was voor deze vanzelfsprekende synthese van Vlaams engagement en verlichtingsdenken die vandaag te veel Vlaamse intellectuelen en kunstenaars  onnodig nerveus maakt, hoewel ook zij rechtstreeks of onrechtstreeks erfgenamen zijn van “De Nieuwe” en dus kinderen en kleinkinderen van Mark, ook al zullen ze dat vaak heftig ontkennen.

Bij mijn terugkeer in de jaren 1980 was het alweer Mark die me aanmoedigde mijn interesse voor de Joodse cultuur en gemeenschap neer te schrijven in een eerste boek voor zijn jonge uitgeverij. Op de boekvoorstelling, ik herinner het me goed omdat het zo ongewoon was, sprak hij in één adem over de rechtmatige plaats van de al te vaak gediscrimineerde Joodse medeburgers “van” (en niet “in”)  Antwerpen binnen de Vlaamse gemeenschap én, even duidelijke en compromisloos, over de plicht om dezelfde mensenrechten toe te kennen aan de Palestijnen.  Alweer een synthese die niet iedereen hem in dank afnam, maar ook een revolutie in het denken, – en daarin heeft hij ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld – is geen gezellig etentje onder gelijkgezinden, zoals Mao ooit zei.  Het vergt dus moed om, zoals Ernest van Der Hallen schreef  (na Mao mag ook onze eigen Lierse rebel hier vermeld worden) “principieel te blijven, radicaal en zonder ooit het strijdbeginsel op te geven.”

Mijn respect voor Mark Grammens is dus zowel heel persoonlijk, en ik ben zeker niet de enige, als sociaal en politiek.  Net als zijn vriend en strijdmakker Willy Courteaux was hij erin geslaagd, de trauma’s van zijn jeugd in Hegelse zin te op te heffen en om te zetten in een intellectueel gefundeerd engagement  en een integriteit waaraan we vandaag en morgen meer dan ooit verder behoefte zullen hebben.

Ludo Abicht – 24 juli 2017

 

 

Groot respect, grote vertwijfeling

“Over de doden niets dan goeds” luidde het al in de klassieke Oudheid. En daar valt iets voor te zeggen. In een rouwbeklag of een afscheidsrede overwegen persoonlijke herinneringen en zullen vooral de verdiensten en de goede eigenschappen van de overledene in herinnering worden gebracht. Dat is goed. Het is niet daar en dan dat een kritische balans moet worden opgemaakt van een heel mensenleven, inclusief tekortkomingen en vergissingen. Daarom -en als tegengewicht voor wat de rechtse vrienden van de latere Grammens verkondigen- verdient het eresaluut van Ludo Abicht aan Mark Grammens een plaats op de webstek van Vlinks.

Maar naast respect en medeleven heeft ook de waarheid haar rechten. Voor een kritische biografie van Mark Grammens is het natuurlijk nog te vroeg. Toch mag er nu al op gewezen worden dat de overledene niet alleen heel grote en onmiskenbare verdiensten had, maar ook heel grote fouten maakte. In feite zou men de scherpe en kritische geest die Grammens was – en die ook wanneer hij over anderen een ‘in memoriam’ schreef de kritiek niet schuwde – zelfs oneer aandoen door uitsluitend oog te hebben voor zijn historische verdiensten.

In de geschiedenis van de Vlaamse journalistiek is Grammens een monument, als kritische en – in de volste betekenis van het woord – onafhankelijk journalist. Het blijft legendarisch hoe hij ‘De Nieuwe’ oprichtte en jarenlang bezielde als “complexloos Vlaams en tegelijk complexloos progressief” weekblad dat generaties jonge Vlamingen heeft geïnspireerd, zoals Abicht terecht schrijft. Even legendarisch was de manier waarop hij na nauwelijks één jaar het voortbestaan van het nog kwetsbare blad op het spel zette door (bij de verkiezingen van 1965) onbeschroomd partij te kiezen voor een links-Vlaamse lijst die in Vlaams-Brabant  opkwam nadat een kartel met de Volksunie onmogelijk was gemaakt.

Grammens was nooit te beroerd om ‘cavalier seul’ te spelen, en het waren waarachtig niet alleen kwatongen die beweerden dat hij zich pas dàn echt goed in zijn vel voelde, en zijn scherpste stukken schreef. In elk geval verwierf hij door die non-conformistische opstelling groot moreel gezag bij ettelijke generaties jonge én minder jonge Vlamingen voor wie hij het samengaan belichaamde van Vlaamse emancipatie en open, progressieve kijk op de wereld (zoals hij ook met zijn al even legendarisch ‘Tijdschrift voor Diplomatie’ aantoonde).

Ten tijde van het Egmont-pact (dat in 1977-’78 de verhouding tussen beide grote gemeenschappen in dit land ‘eens en voorgoed’ wou stabiliseren, maar in extremis werd geavorteerd door unitaristen à la Tindemans) kwam Grammens met ‘zijn’ Nieuwe andermaal in aanvaring met een groot deel van de VU-leiding en -kaderleden. Die bijzonder traumatische periode legde niet alleen de grondslag voor het extreem-rechtse Vlaams Blok, maar ook voor het steeds verder afglijden van Grammens naar conservatieve en ronduit reactionaire standpunten.

Het trieste hoogtepunt van die ‘dérive’ was zijn stelling dat de Vlaamse beweging zich niet had vergist door in de Tweede Wereldoorlog met het nazisme te collaboreren, maar dat ze zelfs de plicht had dat te doen. Allicht onder het motto ‘de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden’. (Tussen deze haakjes : onder dat motto moet je dus in Syrië Assad steunen, aangezien hij ook tegen IS vecht; dan is het al minder verrassend dat Filip Dewinter bij zo’n man op bezoek gaat). Grammens’ kritische geest verloor daarbij kennelijk uit het oog dat de ‘vijand’ waartegen werd gecollaboreerd niet zomaar België was, maar de democratie op zich.

Die enormiteit herhaalde hij nog eens uitdrukkelijk op een feestzitting ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag. Dat daar toen geen storm van protest op volgde zou kunnen betekenen dat een groot deel van de toehoorders het met die stelling eens was. Waarschijnlijker is echter dat het stilzwijgend negeren veeleer de gêne vertolkte waarmee men reageert wanneer een verdienstelijke oude man begint te raaskallen.

Neen, als dit monument van de Vlaamse journalistiek bij zijn overlijden slechts op enkele karige en oppervlakkige stukjes kon rekenen in de Vlaamse media, dan is dat niet omdat hij (zoals een van zijn kompanen schreef) “te links was voor rechts, en te rechts voor links” maar omdat hij zelf wetens en willens dat monument al onherstelbare schade had toegebracht.

Edi Clijsters – 8 augustus 2017