‘Authentieke solidariteit vergt offers, terwijl liefdadigheid in feite alleen maar ons gevoel van zelftevredenheid aandikt’, schrijft Ludo Abicht van Vlinks.

Twee weken geleden hadden we met een groep studenten van de UA een gesprek met docenten en studenten van de Al-Najah Universiteit van Nabloes, Palestina. Onze gesprekspartners argumenteerden dat de steun van het Westen voor de Palestijnen zich grotendeels beperkte tot humanitarian aid, een modene term voor liefdadigheid. “Daarmee kan je wel even de nood van individuen en bepaalde groepen lenigen, maar je raakt niet aan de basis van het probleem en dat is de bezetting. In feite verlengen jullie daarmee ongewild een onhoudbare situatie.” Dat was, in het licht van wat we tijdens deze studiereis gezien hadden, een pijnlijke observatie, bijna alsof wijzelf een deel van het probleem waren geworden. “Wat wij echt kunnen gebruiken” zeiden ze allemaal, “is jullie solidariteit, maar wij weten ook wel dat dit jullie meer zal kosten dan occasionele giften en steunverklaringen.”

Ik had daarbij een scherp déjà vu-gevoel. Eind jaren zestig kwam in de Verenigde Staten de Black Power beweging van Stokeley Carmichael en de Black Panthers op, en die reageerden in feite op een gelijkaardige manier: “Jullie steun aan onze emancipatiebeweging”, zeiden ze, “is goedbedoeld maar weinig efficiënt. Jullie komen met ons in Mississippi en Alabama betogen en dat is op zich goed. Jullie voelen je ook goed: arm in arm met de zwarte broeders en zusters tegen de racistische politie en politici van de Zuidelijke staten met hun honden, hun wapenstokken en elektrische veeprikkels. En daarna gaan jullie weer naar huis terwijl wij met onze problemen blijven zitten.”

Het was de periode waarin blanke sympathisanten zowel persoonlijk als politiek in een gewetenscrisis terechtkwamen. Ursula Junk, een Duitse journaliste en activiste, werd door haar partner, de zwarte auteur en activist Mike Thelwell verlaten, omdat hij zich niet langer met een blanke vriendin kon laten zien en ze was heus niet de enige. De anderen verloren hun status als gevierde leiders van de burgerrechtenbeweging en vielen als het ware in een politiek en sociaal vacuüm tussen blanke racisten en radicale zwarten. En het had alles te maken met het vaak niet zo evidente onderscheid tussen solidariteit en liefdadigheid. Toch is dit verschil cruciaal voor iedere emancipatiebeweging, zeker voor haar radicale vleugel; mijns inziens de enige die er echt toe doet.

Er liggen intussen 50 jaar tussen die ervaringen in Selma, Alabama en die in Nabloes, Palestina en nog altijd hebben we niet de juiste formule gevonden voor onze steun. Betekent dit bijvoorbeeld dat we niet het recht zouden gehad hebben, kritiek uit te brengen op bepaalde uitspraken van zwarte leiders over blanken en vrouwen, gewoon omdat zij in naam van de underdogs zouden spreken? Wil dit zeggen dat we de ranzige, in casu antisemitische randjes in het discours van een aantal Palestijnse leiders niet mogen of zelfs moeten aanpakken, gewoon omdat zij inderdaad de slachtoffers van bezetting en discriminatie zijn?

De vraag is uiteraard retorisch: juist omdàt we voorstanders (en medestanders) van de zo groot mogelijke politieke, wettelijke en sociale gelijkberechtiging van de zwarten en de Palestijnen zijn hebben we de pijnlijke plicht, hen tegen bepaalde ethisch en strategisch onaanvaardbare uitspraken en daden te waarschuwen. Pijnlijk, indien we uitgaan van een verkeerde, mag ik zeggen racistisch ingekleurde interpretatie van die solidariteit. Racistisch, net zoals filosemitisme even fout is als antisemitisme, omdat je in beide gevallen van een niet realistisch en daarom gevaarlijk positief of negatief cliché uitgaat.

Dit alles heeft echter slechts zin, indien we echt bereid zijn een deel van onze privileges op de helling te zetten, want authentieke solidariteit vergt offers, terwijl liefdadigheid (les dames patronesses) in feite alleen maar ons gevoel van zelftevredenheid aandikt, iets waar geen zwarte of Palestijn op zit te wachten.

Ludo Abicht is kernlid van Vlinks